Evaluatie van de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht.

 

 

 Afspraken

 Uitstelpogingen

 Evaluatie - komt er nog wat van?

 Waarom wil het kabinet de wet niet evalueren?

 Stopzetten en

 Afschaffen die wet!

 Opmaat tot de officiële evaluatie

 

 

Afspraken

 

 

Bij invoering van de Wet op de Uitgebreide ID-plicht op 1 januari 2005 is afgesproken dat er met het invoeren van de Wet geen onomkeerbare stappen werden gezet. Het parlement werd toegezegd dat na 3 jaar geëvalueerd zou worden of de wet een positief effect had of dat de tegenstanders gelijk hadden gekregen met hun bezwaren tegen de invoering.

 

In de Memorie van Toelichting op de wet artikel XIV staat dat de regering ervan af ziet om de afspraak in de wet zelf op te nemen omdat de toezeggingen van de twee verantwoordelijke ministers voldoende garantie zouden geven voor de uitvoering van de evaluatie.

 

Artikel XIV uit de Memorie van Toelichting:

De regering is het eens met de suggestie van het CBP in zijn advies om over te gaan tot evaluatie. Teneinde de werking van dit wetsvoorstel, indien het tot wet wordt verheven, in de praktijk te bezien, zal drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie plaatsvinden. Daarbij zal in het bijzonder aandacht worden gegeven aan de bruikbaarheid en handhaafbaarheid, vooral ook van de leeftijdsgrens en de correcte toepassing van het criterium van de redelijke taakuitoefening, mede in verband met mogelijke discriminerende toepassing. Tevens zal aandacht worden gegeven aan het gebruik van identiteitsbewijzen en de praktische verificatieproblemen die de verschillende documenten oproepen. De regering ziet ervan af een dergelijke

Bepaling in het wetsvoorstel zelf op te nemen en meent dat met deze toezegging een voldoende garantie voor de uitvoering van de evaluatie is gegeven. Voor de verdere beleidsontwikkeling en mogelijke aanpassing van de regelgeving is een dergelijke evaluatie van essentiële betekenis.( onderstreping Meldpunt)

De minister van Justitie,

J.P.H. Donner

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J.W.Remkes

 

 

De afspraak is wel vastgelegd in de Beleidsregels Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht van het College van Procureurs- generaal. Daarin staat ook aangegeven dat de richtlijnen betreffende de toepassing van de wet maar tot uiterlijk eind 2008 gelden.

 

De toezegging dat de wet drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd zou worden -in 2008 dus- heeft tegenstanders en twijfelaars in het parlement over de streep getrokken om, ondanks grote bezwaren en bedenkingen met het wetsvoorstel in te stemmen.

Lees…Eerste Kamer

 

           

 

             Spandoek “ Wij waren tegen de identificatieplicht, maar stemden vóór – PvdA

 

In het boek hoe maakbaar is veiligheid  lichten Kamerleden van VVD en PvdA zelf toe, hun dat de beslissing tot invoering van de uitgebreide identificatieplicht onder enorme druk werd genomen en uitsluitend de goedkeuring van veel Kamerleden kreeg omdat deze de regelgeving het voordeel van de twijfel gunden.

 

De afweging kwam tot stand onder druk van, al dan niet terechte, angst voor terreuraanslagen. Wie tegen zou durven stemmen laadde bij voorbaat de schuld op zich ‘niets te hebben gedaan aan het beveiligen van de samenleving’, in geval er hier aanslagen geplaagd zouden gaan worden. De PvdA was bovendien door afspraken in het regeerakkoord gebonden om voor de wet te stemmen terwijl men altijd principieel tegenstander van de ID-plicht was geweest.

 

Tegenover de vele twijfels of de wetgeving wel verenigbaar was met (1) de fundamentele burgerrechten, of er (2) maatschappelijk draagvlak voor gekweekt zou kunnen worden, (3)of de tekst van de wet wel juridisch door de beugel kon, (4) verenigbaar was met de fundamenten van ons rechtsbestel en (5)of het invoeren zelfs maar enig nut zou opleveren, stond die garantie dat er geen onomkeerbare stappen zouden worden gezet.

 

En vanwege deze constructie dat de wet teruggedraaid zou kunnen worden, hoefde niemand bang te zijn om definitief zijn handen vuil te maken en het risico te lopen later de schuld te krijgen van de gevolgen van ondeugdelijke wetgeving of het fiatteren van een politiestaat.

 

 

                                      Uitstelpogingen

 

 

Toen de wet nog ingevoerd moest worden schreven de ministers Donner en Remkes in de Memorie van Toelichting dat ‘Voor de verdere beleidsontwikkeling en mogelijke aanpassing van de regelgeving de evaluatie van essentiële betekenis zou zijn’.

 

Zo gauw de wet was ingevoerd bleken beide heren niet van plan om zich aan de afspraak  van evaluatie na 3 jaar te houden. De belofte bleek een wassen neus, uitsluitend bedoeld om het parlement over te halen om met het wetsvoorstel in te stemmen.

 

 

                                                 

 

Al 3 maanden na invoering van de wet schrijft  minister van Binnenlandse Zaken Remkes   letterlijk in zijn brief van 8 maart 2005 dat de minister opdracht heeft gegeven dat de gegevens aangaande de klachten die bij de politie binnenkomen beschikbaar moeten zijn voor ‘de evaluatie van 2009’.

 

Op 28 april 2005 schrijft minister Donner, in antwoord op vragen van de vaste commissie van Justitie, dat de ‘evaluatie was voorzien in de tweede helft van 2008’.

Daarbij maakt hij gelijk ook korte metten met de illusie dat de evaluatie bedoeld is om de wet op zijn merites te gaan beoordelen. ‘Omdat de wet deel uit maakt van een veelheid aan maatregelen’, zo schrijft hij ‘zal het onmogelijk zijn om te kunnen beoordelen of door deze wet de veiligheid vergroot is of criminaliteit erdoor daalde’. ( punt 7)

 

Toen vanaf de eerste dag duidelijk werd dat de wet er toe leidde dat er aan de lopende band mensen op grond van de nieuwe wet strafbaar werden gesteld, dat er moeders met kleine kinderen door in de cel belandden, dat agenten tegen de afspraken in volop de ID-plicht als op zichzelf staande bevoegdheid toepasten enz. kwam er een ware klachtenregen op gang.

Dat leidde op 24 februari 2005 al tot Kamervragen over de uitwassen zoals het in de cel gooien van een moeder met baby wegens een vergeten rijbewijs.

 

In mei 2005 werden door de SP (de Wit) in de Tweede Kamer vragen gesteld aan de minister over de lawine aan klachten met betrekking tot de nieuwe wet.

Na 4 maanden komt hierop reactie met de mededeling 20 september, ‘dat de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn konden worden beantwoord omdat de gevraagde informatie van de betrokken instanties nog niet beschikbaar was.

 

In debat met de Kamer op 27 september merkte de minister op dat ‘een eerste halfjaar te kort is om al tot evaluatie over te gaan. De evaluatie is voorzien in 2008. Dit zal niet worden gewijzigd. Wel zegde hij de Kamer toe om het komende half jaar samen met het Openbaar Ministerie te bezien of er indicaties zijn dat deze regelgeving wordt toegepast voor snel financieel gewin of op discriminatoire wijze.

 

De wet stelt uitdrukkelijk dat de ID-plicht enkel dient te worden toegepast als dit noodzakelijk is voor een redelijke uitoefening van de politietaak, maar nooit voor identificatie als op zichzelf staand middel mag worden gebruikt.

Dat de minister daar anders over denkt dan hij bij wet verordende bleek uit zijn reactie op de vraag van Tweede-Kamerlid Marijke Vos (GroenLinks) of de politie niets beters te doen heeft dan de ID-plicht te controleren. Donner antwoordde hierop bevestigend. Hij riep de Nederlandse burgers daarom op hun ID-bewijs altijd bij zich te dragen om zo de politie niet te belasten. Verder vond Donner het logisch dat de overheid controleert of een wet die is aangenomen wel wordt nageleefd.

 

Op 13 oktober 2005, kwam er voor het eerst iets wat een inhoudelijk reactie moest voorstellen op de Kamervragen uit mei die in augustus ook nog maar eens schriftelijk werden ingediend.

In feite kwam er geen antwoord op maar een rare reactie en klopt het schaarse cijfermateriaal waarover de minister zegt te beschikken niet.

 

De verantwoordelijke minster van Justitie beweerde niets te weten over de aantallen arrestaties en het percentage jongeren daarbinnen. Terwijl de betrokken diensten volgens minister Remkes opdracht hadden gekregen om de gegevens goed te registreren.

 

Over het aantal zaken waarin mensen geen transactievoorstel betalen en de zaak aan de rechter voorgelegd zou worden beweerd hij dat 86% wordt gedagvaard door de kantonrechter  terwijl de afdelingvoorlichting van diverse parketten de media bevestigde dat ruim 80% niet tot dagvaarding leidde omdat het OM van verdere vervolging afziet als mensen niet gelijk betalen.

Het antwoord op de vraag of de politie zich aan de redelijke taakuitoefening hield en of handhaving overeenkomt met het beoogde doel- namelijk de veiligheid te vergroten- luidt agenten mogen alleen in geval van een redelijke taakuitoefening om een identificatiebewijs vragen dus is er sprake van een redelijke taakuitoefening.

De reactie op de bijvangst boetes is helemaal bijzonder:

‘Aangenomen kan worden dat er tevens samenloop met Mulderfeiten bestaat doch daarvan zijn geen cijfers bekend. Om het gewenningsproces zo snel mogelijk te laten verlopen is door het Openbaar Ministerie een aanwijzing gegeven voor een verscherpt handhavingsbeleid. Er is DUS geen sprake van zogenoemde bijvangst.

Alleen vraag 1 ‘bent u bekend met het bericht klachtenregen over identificatieplicht’, wordt wel correct beantwoord. Dat antwoord luidt ‘Ja.

 

Tien maanden na het invoeren van de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht laat de minister dus weten dat hij niet van plan was om naar aanleiding van de klachtenregen de wet voor de evaluatie in 2008 opnieuw onder de loep te nemen maar dat hij in plaats van het OM opdracht te geven ervoor te zorgen dat de wet terughoudend en correct diende te worden toegepast, opdracht gaf tot ‘verscherpt handhavingsbeleid om het gewenningsproces zo snel mogelijk te laten verlopen, “Ze wennen er maar aan’, zei hij letterlijk in een interview.

 

Als reactie op de zorgen van de Nationale Ombudsman dat het de veiligheid niet ten goede komt dat hem gebleken was dat getuigen van een ongeluk zich niet melden als ze geen legitimatie bij zich hebben omdat ze bang zijn een boete krijgen, reageerde de minister met een ongelofelijke sneer. De minister ging totaal voorbij aan de ernst van dit effect, dat lijnrecht tegenover het beoogde doel van de wet staat, maar schoffeerde de Ombudsman met de uitspraak:’Het is mij niet bekend dat de Nationale Ombudsman ook bevoegd is om maatschappelijke gevolgen van wetten te beoordelen.’

 

 

Mondeling moest minister Donner vervolgens in de Tweede Kamer toegeven dat hij

niet één voorbeeld wist te noemen waarin de ID-plicht geholpen had om criminaliteit aan te pakken of te voorkomen of dat er terrorisme door voorkomen of bestreden was. Het enige doel wat de wet volgens hem uiteindelijk zou dienen was dat het gezag van de politie erdoor zou vergroten en dat mensen er zich veiliger door zouden gaan voelen.

 

In 2006 herhaalde deze rondedans zich min of meer toen er op 19 mei Kamervragen werden gesteld door de SP en de minister, weer in september, met een non-antwoord kwam.

Opvallend is dat de minister toen stelde dat er ‘een nagenoeg algemene identificatieplicht is ingesteld”, terwijl dat nou precies niet het geval is omdat het parlement het voorstel daartoe heeft afgewezen.

Hoewel bijna iedere Nederlander wist dat de politie willekeurig boetes uitdeelt en mensen arresteert, de wet discriminatoir wordt toegepast, identificatie als op zichzelf staand machtsmiddel wordt toegepast, veel boetes als bijvang bij kleine overtredingen worden gegeven en de wet gebruikt wordt om demonstranten het recht op vrije meningsuiting te ontnemen, daklozen op te jagen en om op illegale medemensen te jagen, kon de verantwoordelijke minister, volgens zijn zeggen, “niet bevestigen noch ontkennen of er boetes op verkeerde grond waren uitgeschreven”.  

 

 

                    

 

Terwijl het Centraal Justitieel Incasso Bureau( CJIB) eind 2005 zelf al publiceerde dat het gros van de boetes als boeteverdubbelaar voor onaanzienlijke wetsovertredingen werd toegepast.

 

Op vragen van het CDA (Haersma Buma) 19 mei 2006 over het aantal ID-zaken wat door het OM wordt geseponeerd antwoordde de minister op 20 juni dat het in 2005 om 14% van de bij het CJIB aangeleverde zaken zou gaan en de eerste 4 maanden van 2006 om 12%. Bij het ‘kanton’ zou rond de 18% geseponeerd worden.

Getallen die niet overeenkomen met de OM gegevens van het parket zelf (zoals blijkt uit gegevens van het Meldpunt en uit geverifieerde publicaties in de dagbladpers).

 

In 2006 spreekt de minister het niet langer over het vergroten van de veiligheid, het gevoel van veiligheid of het vergroten van het gezag van de politie als doel van de wet. De wet zou inmiddels bedoeld zijn ‘om het handhaven van de wet door bevoegde ambtenaren te vergemakkelijken’.

Dit tussentijds eigenmachtig bijstellen van de doelstelling heeft invloed op een eerlijke evaluatiemogelijkheid. Wetgeving behoort getoetst te kunnen worden aan het oorspronkelijke doel waarvoor het werd ingevoerd. Function creep belemmert deze mogelijkheid.

 

Hoewel er geen uitslag voor de Kamer beschikbaar komt van wat het jaar ervoor gelastte onderzoek naar de toepassing voor snel financieel gewin of op discriminatoire wijze van handhaving heeft opgeleverd, zegde hij een nieuw onderzoek naar de uitvoering van de wet toe. Dit keer luidde de opdracht aan het Openbaar Ministerie om een inventarisatie te maken van de uitvoering van de wet en de uniformiteit van de toepassing in de praktijk.

 

Een onderzoek waar ter verduidelijking werd bijgezegd dat het een voorlopig onderzoek betrof wat niet verward diende te worden met de evaluatie.

 

De Kamer liet zich afschepen met zijn toezegging dat er ‘snel’ een inventarisatie gemaakt zou worden ‘. De minister zegde toe dat dit vóór het eind van 2006 afgerond zou zijn.

Maar die inventarisatie kwam niet en toen het meldpunt half december navraag deed  over de stand van zaken, rees het vermoeden dat de boel moedwillig werd opgehouden en dat er misschien zelfs helemaal geen opdracht was gegeven aan het OM.

Het Openbaar Ministerie liet namelijk 15-12-2006 weten dat het eerste deel van de inventarisatie naar verwachting pas in maart 2007 bekend zouden zijn. Dat betekende dus dat men terwijl die inventarisatie al af diende te zijn nog 3 maanden dacht nodig te hebben om de cijfers van o.a. het CJIB te inventariseren. Het kwalitatieve gedeelte, zijnde onderzoek op basis van interviews zou daarna pas worden opgestart.

 

Al met al had de Tweede Kamer twee jaar na de invoering van de ID-plichtwet dus geen antwoord gekregen van de minister over de toepassing van de wet. Omdat de toezeggingen aan de Kamer, om uiterlijk in december met feitenmateriaal te komen, niet werden nagekomen kon D’66 in januari 2007, bij de begrotingsbehandeling van Justitie, de kwestie opnieuw aan de orde stellen.

Toen dook er, zo lezen we in de Kamerstukken, ineens een brief op waarin minister Donner de Kamerleden had laten weten dat hij de evaluatie een jaar ging uitstellen. Een bevreemdende situatie want hoe kan een minister nu eigenhandig besluiten om, zonder opgaaf van redenen zich niet te houden aan de afspraak die bij invoering van de wet werd gemaakt. Maar Donner hoefde zich hierover niet te verantwoorden omdat hij had moeten aftreden vanwege het vernietigende rapport over de toedracht van de Schipholbrand, waar het ministerie van Justitie mede verantwoordelijkheid voor droeg.

 

Overigens kreeg het Meldpunt nooit een afschrift van de brief, waarover de notulen van het Kamerdebat reppen en deed het ministerie van Justitie toen wij herhaaldelijk om een afschrift vroegen of die brief niet bestaat.

 

De bizarre Haagse politiek zorgde er voor dat Donner na de verkiezingen weer kon toe treden tot het kabinet en als minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verantwoordelijk werd voor de brochures en website van dit ministerie die al 2 jaar foutief vermelden dat de identificatieplicht, die hij invoerde, een draagplicht zou eisen.

 

 

 

Minister Hirsch Ballin, de minister die vroeger al eens eerder de scepter zwaaide over het departement van Justitie, maar vanwege de IRT affaire moest aftreden, werd in het 4de kabinet Balkenende, verantwoordelijk voor de evaluatie van de ID-plchtwet. Hij bleek in het Kamerdebat 18 januari 2007 geen notie te hebben waarom zijn voorganger de evaluatie wilde uitstellen naar 2009. Hij kwam niet verder dan mede te delen dat zijn voorganger wel een goede reden voor het uitstel zal hebben gehad en dat het altijd goed is om voldoende tijd uit te trekken voor een evaluatie. Uiteindelijk beloofde hij toch om er zelf ook nog eens ‘naar te kijken’ maar daarkomt hij later nooit meer op terug.

 

Pechtold (D’66) moppperde in het Kamerdebat 18- 1-2007 dat het ‘toch eigenlijk niet kan dat de evaluatie een jaar wordt uitgesteld en dat hij zoals afgesproken, in het eerste kwartaal van 2008 in de Kamer behandeld moet kunnen worden’. Hij diende een motie in met ’het verzoek aan de regering om de evaluatie van de Wet op de Uitgebreide identificatieplicht begin 2008 naar de Kamer te zenden’.

In de tekst van de motie werd vervolgens ‘begin 2008’ vervangen door ‘in het tweede kwartaal van 2008’. Deze gewijzigde motie (30 800 VI nr 70) werd met algemene stemmen aangenomen.

De motie werd ingediend door Pechtold (D’66), De Wit (SP), Azough (Groen Links), Huizinga-Heringa (Christenunie), Wolfsen (PvdA), Ouwehand (Partij voor de Dieren).

 

Eind december 2007 zou de evaluatie volgens afspraak voorbereid dienen te zijn geweest door de overheid, maar zelfs van het voorlopige onderzoek zijn geen gegevens beschikbaar. De minister heeft zich niks aangetrokken van de motie van de Kamer.

 

Daar in tegen publiceerde onderzoeksbureau Jansen & Jansen op 1 oktober 2007 de uitslag van hun onderzoek naar de toepassing van de wet in 2005 en 2006. Zij geven talloze voorbeelden van willekeurige en oneigenlijke ID-controles en van discriminatie . Hoewel de wet uitdrukkelijk stelt dat invoering ‘geen vrijbrief mocht worden voor willekeurige identiteitscontroles’ bleek uit het onderzoek dat in twee jaar tijd alleen al 42.533 mensen een boete hebben gekregen zonder dat er van een andere overtreding sprake was. De rest betreft voornamelijk bijvangst bij kleine overtredingen.

 

Het Meldpunt Misbruik Identificatieplicht was van mening dat er 3 jaar na invoering, ruimschoots genoeg praktijkvoorbeelden waren en cijfermateriaal aanwezig was om de slechte wetgeving onmiddellijk af te schaffen. Er was geen enkele reden waarom de evaluatie niet in januari 2008 zou kunnen plaats te vinden. Het kabinet had domweg geen zin om de wet daadwerkelijk na 3 jaar te gaan evalueren. Volgens de letter van de afspraken is men daarmee niet in overtreding, want Sint Juttemis 2009 of 2084 is natuurlijk ook nà 3 jaar. Maar dat was natuurlijk niet de intentie van de afspraak om op grond van 3 jaar ervaring de WU-ID te evalueren.

Hierover schreven we brieven naar de minister van Justitie en aan de voorzitter en de leden van de Tweede Kamer, aan het bestuur van de politieke partijen en de Nationale Ombudsman. Met als enig resultaat dat we een bewijs van ontvangst kregen en de mededeling dat men kennis had genomen van de inhoud.

 

23 november 2007 bleek de werkelijke bedoeling van het kabinetsbeleid toen uit een persbericht duidelijk werd dat de minister van Justitie de evaluatie van de WU-ID niet enkel traineerde, maar dat het kabinet intussen een verdere uitbreiding van de omstreden identificatieplicht bekokstoofde.  

Het Meldpunt gruwde van de plannen en vond de manier waarop de regering de burgers en de volksvertegenwoordiging negeerde buitengewoon onfatsoenlijk.

                               

Heel even leek het erop dat de wal het schip zou keren toen de politie op 9 december 2008 besloot op te houden met het uitdelen van boetes voor het niet tonen van geldige identiteitsbewijzen.

 

 

De politie hekelde de Haagse druk om boetes uit te schrijven en stelde dat, met name het uitdelen van boetes voor het niet tonen van identiteitsbewijzen, agenten belemmert in hun eigenlijke werk en het gezag van de agenten aan tast.Het huidige boetebeleid rond de identificatieplicht moet op de schop. Het bekeuren is van instrument tot doel geworden’, aldus de woordvoerder van de politiebond ACP.

 

De politiebonden lieten weten dat het er hierdoor eerder veiliger dan onveiliger op wordt. ‘Doordat er minder bonnen geschreven worden bij kleine overtredingen, is er juist extra aandacht voor essentiële zaken die een serieuze bedreiging vormen’.

‘Tijdens de acties zullen agenten ervoor waken dat de openbare orde en veiligheid in het geding komen’, zo benadrukten de bonden. Waarmee dus alle drie de politievakbonden duidelijk concluderen dat de zorg voor de openbare orde en veiligheid kennelijk niet gediend was met het toepassen van de ID-plichtwet en zelfs de aandacht afleidde van essentiële zaken.

 

Deze uitspraken en reacties daarop leidde 12-12-2007 prompt tot 5 schriftelijke vragen van D’66 en de SP aan de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken.

Het Meldpunt heeft hierover brieven geschreven aan de betrokken ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Raad van Hoofdcommissarissen en de politiebonden ACP, ANPV, NPB en VMHP en voorgesteld om de wet, na drie jaar te bevriezen. Maar nadat de Cao onderhandelingen waren afgerond ging de politie weer onverdroten op de oude voet voort.

Dat de politie na hun uitspraken gewoon doorging met het uitdelen van ID-boetes vormt wederom een aantasting van het gezag dat ze uit zouden dienen te stralen.

 

 

                          

 

 

 

 

Evaluatie - Komt er nog wat van?

 

Op 4 februari 2008 gaf de minister informatie over de boetequote die zoveel ID-boetes veroorzaakte. Hij liet weten dat hij deze per 1 januari 2007 uit de prestatiecontracten had laten schrappen maar dat de quote daarmee niet vervallen was.

Die werd nu door de hoofdcommissarissen opgelegd zo bleek -sic.

Op 14- 2- 2008 werd bekend dat onderzoeksbureau Significant opdracht had gekregen om ‘de effectiviteit van de WU-ID’ te onderzoeken. Deze opdracht, die ze naar verwachting in augustus dachten af te ronden, betekende een schoffering van de wens van de Kamer om uiterlijk vóór het zomerreces van 2008 over de gegevens te beschikken. Significant stelde desalniettemin dat de effectiviteitmeting, drie jaar na inwerkingtreding van de wet, in overeenstemming was met de wens van de Tweede Kamer. 

Op 20 februari  toen de minister eindelijk reageerde op de motie die al meer dan een jaar eerder was aangenomen stelde hij dat men eind 2007 een ‘vervroegde selectie’ van onderzoeksbureaus had plaatsgevonden en dat de resultaten in september verwacht werden. Hoewel de motie eiste dat de evaluatie uiterlijk het 2e kwartaal van 2008 zou plaatsvinden beweerde hij glashard dat de motie Pechtold behelsde dat de evaluatie vóór 2009 zou plaatsvinden.

Het Meldpunt vroeg de Tweede Kamerleden schriftelijk om geen genoegen met deze antwoorden te nemen. Ook schreven we 5-2-’08 aan de Raad van State over onze verontrusting dat de minister enerzijds de evaluatie van de WU-ID traineerde en het kabinet anderzijds de identificatieplicht, tegen de wens van de Staten Generaal in, probeert om te smeden naar een algemene plicht met ongekend rigide middelen ter handhaving. Op 15-2-‘08 schreven we ook de Eerste Kamerleden over deze kwestie met het verzoek om het kabinet tot de orde te roepen en in elk geval geen aanvullende wetgeving inzake de identificatieplicht goed te keuren alvorens de evaluatiegegevens van de WU-ID bekend zijn. 

 

Waarom wil het kabinet de wet niet evalueren?

 

 

 

Het is niet in het belang van het kabinetsbeleid om toe te geven dat de WU-ID een ondeugdelijke wet is waarvan de toepassing kwalijke gevolgen heeft. Dan zou de logische consequentie namelijk dienen te zijn om de wet weer in te trekken.

 

Het is wèl in het belang van het kabinet om de evaluatie van de wet zo veel mogelijk uit te stellen, liefst totdat medio 2009de vingerafdrukken in het ID-bewijs worden opgenomen.

 

Dat komt omdat de Wet een heel andere bedoeling heeft dan de reeks doelen die in de loop der jaren zijn aangevoerd.

 

Het eigenlijke doel van de identificatieplicht vormt namelijk niet het vergroten van de veiligheid of bewaken van de orde of door mensen naar hun ID-bewijs te kunnen vragen. De eigenlijke bedoeling is tweeledig namelijk om enerzijds de burgers te laten wennen aan het feit dat de overheid intensief hun doen en laten wil registreren en controleren en anderzijds om ervoor te zorgen dat iedere staatsburger een persoonsbewijs zou moeten aanvragen. Dat laatste als noodzakelijke eerste stap die de opzet van een sluitend systeem van elektronische persoonsregistratie met behulp van biometrische persoonsgegevens en een elektronische overheidsdatabase mogelijk maakte.

 

Door het strafbaar stellen van het niet tonen van een geldig identiteitsbewijs werden de oorspronkelijke reisdocumenten getransformeerd tot persoonsbewijzen voor binnenlands maatschappelijk verkeer. Het ministerie van Binnenlandse Zaken houdt bij hoog en bij laag vol dat dit niet het geval is en dat paspoorten en ID-kaarten nog gewoon reisdocumenten zijn, maar het is duidelijk dat vanaf 2005 iedereen vanaf 14 jaar door de nieuwe wet gedwongen werd om over een geldig identiteitsdocument te beschikken. Want ofwel de voormalige reisdocumenten zijn omgetoverd tot algemeen verplicht persoonsbewijs of een brood kopen bij de bakker wordt door de regering als reizen beschouwd.

 

Het is buitengewoon verwonderlijk dat zoiets essentieels als het feitelijk her-invoeren van persoonsbewijzen in de Eerste en Tweede Kamer geen onderwerp van debat is geweest.

Doordat de verantwoordelijke ministers lieten weten dat ze geen afzonderlijke identiteitsbewijzen wilde invoeren, om aan de identificatieplicht te voldoen, leek het net of er geen sprake van persoonsbewijzen was.

Door de bestaande reisdocumenten- als enig geldige identiteitsbewijzen om aan de ID-plichtwet te voldoen in de wet op te nemen - kon het kabinet zich bij alle technische ontwikkelingen met betrekking tot deze documenten verschuilen achter verplichte internationale voorschriften.

Dit verklaart ook waarom de minister, die geen kans zag een algemeen geldende identificatieplicht met daaraan gekoppelde draagplicht, door het parlement te loodsen en genoegen nam met de onmogelijke constructie van een wet die het dragen van identiteitsbewijzen niet verplicht maar het niet onmiddellijk tonen wel strafbaar stelt.

Dat minister Donner zich liet ontvallen dat het hem helemaal niet interesseert of mensen hun ID bewijs wel of niet bij zich dragen terwijl onder zijn verantwoording mensen op grond van het niet onmiddellijk tonen in grote getale voor crimineel gedrag worden bestraft, laat aan duidelijkheid niets te wensen over. 

 

Het maakt het kabinet helemaal niet uit dat de Wet op zich niet voldoet aan artikel 8 het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), dat burgers een hekel aan de politie krijgen, boetes oneigenlijk worden uitgedeeld en menig medewerker binnen politie en justitiekringen zich voor de wet schaamt. Als het maar helpt om mensen aan de meest recente versie van de nieuwe identiteitsbewijzen te helpen.

 

Daartoe voldoet de identificatieplicht uitstekend, want vanwege de invoering van de WU-ID gingen ook mensen die uitstekend geïdentificeerd konden worden ( aan de hand van geboortebewijs, met een verlopen paspoort, of omdat de hele gemeenschap ze kent bijvoorbeeld) en die beslist geen geldig exemplaar nodig hadden om ooit naar het buitenland te kunnen gaan, een nieuw ID-bewijs aanvragen. De tournee van gemeenteambtenaren langs de verzorgingshuizen met het oogmerk ook ouderen en zwakzinnige kinderen die nooit zelfstandig buiten komen tot de aanschaf van een geldig nieuw document te dwingen is veelzeggend voor het onderliggende beleid dat mensen zonder geldig document in feite niet meer als legale burgers van ons land worden beschouwd. En hetzelfde gold voor alle jongeren vanaf 14 jaar die een dergelijk eigen document ineens nodig hadden enkel om veilig (voor de politie) over straat te kunnen gaan.

 

De volgende stap werd gezet met de invoering van de biometrische - gechipte paspoorten die anderhalf jaar later werden ingevoerd. Nieuwe persoonsbewijzen waarvan het gros van de mensen nog steeds niet weet dat ze op afstand uitleesbaar zijn en de nieuwe eisen voor de pasfoto’s er toe dienen dat de foto’s geschikt zijn om ingescand en in een digitaal bestand opgeslagen te kunnen worden zodat ze geschikt zijn om gekoppeld te worden aan gezichtsherkennende camerasystemen.

 

 

Vervolgens werd het identiteitsbewijs gekoppeld aan alle gegevens over iedere burger waar de overheid over beschikt door  de omvorming van het sofinummer tot Burger Service Nummer.

 

Dat de banken door het ministerie van Financiën in de gelegenheid werden gesteld om alvast te proberen om van al hun klanten het sofinummer te bemachtigen en hun identiteitsbewijzen in te scannen en digitaal op te slaan, is de voorbode voor het feit dat het voormalige sofinummer niet enkel voor overheid gebruikt zal gaan worden ook door commerciële particuliere instellingen. Die koppeling werd via de financiële gegevens van mensen voorbereid.

                                                     

Volgende stap was dat de regering wilde verbieden om zelfgemaakt pasfoto’s voor de identiteitsbewijzen te gebruiken. Die mochten dan alleen nog maar gemaakt worden door gemeenteambtenaren. Zo kon men de tussenstap van het inscannen van papieren pasfoto’s naar digitale opslag van een scan  van de gezichtkenmerken gaan overslaan.

De eerste poging  om dit door de ambtenaren van de burgerlijke stand te laten doen, waarmee men gelijkertijd het toevoegen van de vingerafdrukken die voor uiterlijk 2009 op stapel staan dacht te vergemakkelijken, mislukte omdat professionele fotografen zich de kaas niet van het brood lieten eten.

De volgende poging is om het door opsporingsambtenaren op de straat te laten doen. Men wil hen de bevoegdheid geven om van iedereen die als verdachte wordt aangemerkt direct een pasfoto en vingerafdrukken te mogen laten maken. Apparatuur om dat ter plekke op straat te doen wordt in het buitenland al gebruikt.

 

                                           

 

En zo tekent het zich uit waarom de regering er alles aan zal doen om de evaluatie uit te stellen tot het tijdstip dat iedere Nederlander een geldig identificatiebewijs heeft en de eerste lichting documenten voorzien van vingerafdrukken in omloop zijn gebracht. Zo gauw namelijk voldoende biometrische kenmerken van de burgers door de overheid zijn vastgelegd is het tonen van een identificatiebewijs niet meer nodig om iedereen te kunnen identificeren. Daarmee wordt dan de WU-ID overbodig en kan de regering hem, desnoods met genoegdoening en excuses voor het ongemak, afschaffen.

 

 

 

 

Afschaffen die wet!

 

 

“Politie-ambtenaren hebben een discretionaire bevoegdheid”, zo liet de woordvoerder van de Raad van Hoofdcommissarissen weten. Ze kunnen een overtreding constateren en daarna iemand staande houden. Het hangt van de aard en omvang van de overtreding af of er een corrigerend gesprek volgt of dat proces-verbaal wordt opgemaakt’.

Dat de politie zelf aan de orde stelde dat de politietaak niet per definitie bestaat uit het uitdelen van bekeuringen als mensen een overtreding begaan, is een duidelijke steun voor de strijd om de wet te laten afschaffen. Al komt dit inzicht voor al die mensen die inmiddels een ID-boete kregen of gearresteerd werden als mosterd na de maaltijd.

Deze beoordeling over het verschept handhaven van de ID-plichtwet, is zo vernietigend dat het de inventarisatie van de meningen door het OM tamelijk overbodig lijkt te maken.

 

Het Meldpunt  wordt door deze opstelling van de politie gesterkt in haar mening dat de ID-plichtwet niets positiefs tot gevolg heeft gehad, en enkel tot overbodige boetes en arrestaties heeft geleid. Wij zijn het volmondig eens met Alexander Pechtold die op 10 december 2007 in de uitzending van RTL4 zei:” dat de ID-plichtwet liever vandaag nog dan morgen moet worden afgeschaft”.

 

 

 

Opmaat tot de officiële evaluatie

                       

Wat betreft de inhoudelijke kant van de evaluatie, dient in dit bestek nog te worden opgemerkt dat minister Donner al in 2005 ondubbelzinnig liet weten dat het kabinet niet van plan is om de wet echt op zijn merites te gaan beoordelen. 6 maanden na invoering van de wet hoorden we de minister al zeggen dat de evaluatie niet over het doel van de wet, Nota Bene de essentie, zou gaan. Het specifieke nut van deze wet, zo stelde hij zou namelijk toch nooit aangetoond kunnen worden omdat hij onderdeel uitmaakt van een pakket maatregelen. Natuurlijk moet de evaluatie wel over de essentie gaan.

Wetgeving dient getoetst te kunnen worden als middel om een bepaald doel te bereiken. Een wet die niet beschouwd wordt als middel om een bepaald doel te bereiken is een doel op zichzelf geworden en verliest daarmee niet alleen zijn eigen bestaansrecht maar tast tevens het vertrouwen in de democratie aan, aldus het oordeel van de Nationale Conventie

Wat betreft de voorgenomen opzet van de evaluatie zijn we van mening dat deze niet voldoende garantie biedt om de wet op adequate wijze te evalueren. De minister wil dat de wet enkel getoetst zou worden aan de hand van beoordeling door de wetshandhavende - en controlerende instanties zelf. Het lijkt niet meer dan fatsoenlijk om de ervaringen van mensen, die persoonlijk gedupeerd werden door de wet, mee te nemen in de beoordeling.  

Volgens ons is intussen wel duidelijk dat de meeste burgers ondanks alle boetes niet van plan zijn om hun identiteitsbewijzen te allen tijde bij zich te gaan dragen. En zijn er cijfers en praktijkvoorbeelden te over die aantonen dat een groot deel van de opsporingsambtenaren zich bij het toepassen van de wet niet aan de Richtlijnen blijken te houden.

 

De dagelijkse stroom aanhoudingen en daarmee gepaard gaande ergernissen, openbare discussies tussen publiek en agenten en toezichthouders en het aanhoudend uitdelen van bekeuringen en verrichten van arrestaties op grond van de ID-plichtwet, gaat onverminderd door.

CJIB cijfers geven aan dat er na vier jaar 158.660 zaken bij hen zijn aangeleverd, waarvan zo’n 15.866 gevallen kinderen betreft van 14 en 15 jaar.

 

In feite ligt dat aantal veel hoger omdat men alleen kan toetsen hoe de wet wordt toegepast door niet alleen het aantal bekeuringen te registreren maar het aantal keren dat mensen op straat werden aangehouden. Het zou bijvoorbeeld ook interessant zijn om te weten hoe vaak het gebeurd dat mensen te horen dat ze een bekeuring aan de broek hebben, terwijl de bon de eerste kwaliteitsronde bij de verbaliserende instantie niet doorkomt en dus niet naar het CJIB worden doorgestuurd.

Het aantal arrestaties is hoog. Dat het om aanzienlijke aantallen gaat staat buiten kijf en ook hier geven cijfers, als ze al geïnventariseerd worden, een vertekend beeld gezien de regelmatige melding van mensen die zonder een proces-verbaal als bewijs van hun arrestatie na verloop van tijd weer worden vrijgelaten.

 

Wij onderschrijven de conclusie van onderzoeksburo Jansen &Jansen dat zo’n 40% van de ID-boetes worden uitgedeeld naar aanleiding van identiteitscontroles, waarbij geen andere overtreding is beboet. Dat 37% ID-boetes betreft die te typeren zijn als bijvangst bij kleine overtredingen. Wij constateren bovendien dat het vaak voorkomt dat bij overtredingen wel een boete wordt opgelegd voor het niet tonen van een identificatiebewijs, maar niet voor het strafbare feit wat aanleiding vormde voor de aanhouding.

Ook wij hebben de ervaring dat een substantieel deel van de boetes wordt uitgedeeld aan drugsverslaafden en dak en thuislozen die worden aangehouden omdat zij zich zonder redelijk doel ergens ophouden of bedelen.

 

 

 

 

Talloze praktijkvoorbeelden bewijzen bovendien dat de bevoegdheid om naar een identificatiedocumenten te mogen vragen stelselmatig gericht wordt ingezet om de persoonsgegevens van actievoerders in kaart te brengen en om demonstraties te frustreren.

 

Een proces-verbaal wat voldoet aan de voorschriften dat er vermeld dient te worden waarom in dit specifieke geval de dienstdoende opsporingsambtenaar het noodzakelijk achtte voor de uitoefening van zijn werk om naar een ID-bewijs te vragen, zijn we nog niet tegengekomen.


De evaluatie kan niet anders dan tot de conclusie leiden dat er in het hele land inmiddels een veelvoud aan mensen, die zelf ID- boetes kregen of gearresteerd werden, met de identificatieplicht in aanraking zijn gekomen. Ook hun vrienden, familie, bekenden, en mensen die getuige waren van aanhoudingen hebben ervaren dat het iedereen kan overkomen om bestraft te worden voor het niet onmiddellijk tonen van geldige identificatiedocumenten.

Al die mensen weten nu uit eigen ervaring dat je in Nederland sinds 2005 door de overheid bestraft kan worden als je niet onmiddellijk je persoonsbewijs toont, ook al is volstrekt duidelijk wie je bent. Wie niets fout doet kan er niet op rekenen dat hij derhalve geen bekeuring zal krijgen. Wie te hulp schiet als er een ongeluk gebeurd kan het zelf overkomen dat hij dit moet bekopen met een bekeuring vanwege het feit dat hij niet onmiddellijk een ID-bewijs toont, ook al hoeft men dit niet bij zich te dragen.

 

Dat betekent in feite dat grote delen van de bevolking er aan gewend beginnen te raken dat de rechtstaat is vervangen door een staat waar de overheid zonder enige rechtsgrond mensen naar believen kan controleren en bestraffen.

 

Dit alles helpt uiteraard niet om de veiligheid van de individuele burger te vergroten  of een veiliger samenleving te bewerkstelligen. Het leidt er wel toe dat de burgers die door de overheid beschermd horen te worden hun overheid moeten gaan vrezen. Het resultaat van de ID-plicht is geen inperking van criminaliteit maar zaait wel angst voor onderdrukking en machtsmisbruik en belemmert mensen om in vrijheid met elkaar om te gaan.                

 

Dat het gezag van de politie en justitie geschaad wordt door de oncontroleerbare macht die aan de identificatieplicht ontleend kan worden, is evident.

De talloze voorbeelden van mensen die zich onheus behandeld, geïntimideerd en benadeeld voelen door het toepassen van onderhavige wet spreken voor zich.

 

De ID-plicht is een van de maatregelen die leidt tot de ongekend grote schending van de privacy van onschuldige burgers.

 

Als al die mensen die het niet met de identificatieplicht en de uitvoering van de ID-plichtwet eens zijn hun onvrede eens zouden omzetten in actief verzet, zijn zij vast wel in staat om de regering aan te zetten om haast te maken met de evaluatie van de wet. Het lijkt ons een uitstekend middel als de helft van al die duizenden mensen die ten onrechte een transactievoorstel betaalden hun geld eens terug zouden eisen van de overheid op grond van het feit dat de regering hen misleidde door voor te wenden of men een ID-bewijs bij zich zou moeten dragen.

 

Om dit soort gegoochel met het uitstel van toegezegde toetsing van wetgeving in de toekomst te voorkomen, pleit Bart de Koning er voor om bij nieuwe wetgeving een extra garantie in te bouwen met de bepaling dat een wet na een vooraf bepaalde periode automatisch buiten werking wordt gesteld. Wil de overheid bevoegdheden uit zo’n wet na die tijd handhaven, dan zal de regering het parlement, met concrete resultaten, ervan moeten overtuigen dat de wet werkt. (boek ‘Alles onder controle’ sunset clause blz. 124)