Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht (WU-ID)
Vanaf 1 januari 2005 is in Nederland iedere burger vanaf 14 jaar verplicht om een geldig legitimatiebewijs te tonen, als daar om gevraagd wordt. Aan de identificatieplicht kan enkel worden voldaan met een geldig paspoort, Nederlandse identiteitskaart of rijbewijs.
De verplichting is ondergebracht in het strafrecht (artikel
447e Wetboek van Strafrecht).
Dat betekent dat iedereen vanaf 14 jaar die, na de eerste
vordering daartoe, zo’n bewijs niet kan of wil tonen, veroordeeld kan worden
voor een delict waar maximaal € 2250 boete of vervangende hechtenis op staat.
Men is volgens het Openbaar Ministerie strafbaar bij het
niet onmiddellijk na de eerste vordering tonen van een geldig ID-bewijs maar
kan dat op grond van de wettekst niet zijn omdat de wet geen draagplicht
eist.

De Eerste Kamer heeft
op 24 juni 2004 de Wet op de uitgebreide identificatieplicht aangenomen. De wettekst
staat ingeschreven in het Staatsblad 2004, 300, Kamerstukken II 29 218
De Wet wordt in overheidsinformatie
ten onrechte afgekort als WID. De WID werd echter al sinds 1993 gebruikt als
afkorting van een andere wet, namelijk van de Wet Identificatie
Dienstverlening.
Om verwarring en foute toepassingen van de wetten te
voorkomen gebruikt
het Meldpunt Misbruik
Identificatieplicht de afkorting WU-ID voor de Wet Uitgebreide
Identificatieplicht.
De ministeriële uitleg van de WU-ID
is vervat in de Memorie
van Toelichting
vergaderjaar 2003-2004 nr. 29 218
De richtlijnen
voor de toepassing van de wet tot 1-1-2009 zijn vastgesteld in de
“Aanwijzing
Uitbreiding Identificatieplicht” van het College van Procureurs-generaal.
geregistreerd onder nummer 2004A016.
Informatie over
kernbegrippen en documenten inzake deze wet en de parlementaire
behandeling is te
vinden in het archief van de Eerste Kamer.