Bezwaren
tegen de
Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht

Er schort volgens het Meldpunt Misbruik Identificatieplicht
veel aan de wet. Zowel wat betreft de inhoud van de wet, de manier waarop hij
tot stand kwam, als wat betreft de richtlijnen voor de uitvoering, de
daadwerkelijke uitvoering, en de afspraken om de wet op zijn merites te
beoordelen.
We behandelen deze bezwaren in dit hoofdstuk puntsgewijs:
Juridisch:
Deze wet druist in tegen de Universele verklaring van de
Rechten van de Mens (UVRM),
en de Rechten van het Kind. *
De wet tast het fundament van ons nationale rechtsstelsel
aan:
De klachten en bezwaarmogelijkheden zijn niet goed geregeld.
*
Niemand houdt in de gaten hoe de toepassing uitwerkt:er is
geen monitoring. *
Principieel:
Groot bezwaar tegen de wet is dat het de samenleving van
mensen wil regeren op basis van wantrouwen, onderlinge angst en voor gevaar van
buitenaf. Dit is in tegenspraak met de beginselen van een democratische
rechtstaat. *
De wet maakt een enorme inbreuk op de fundamentele
burgerrechten op persoonlijke vrijheid van alle burgers. Het inperken van deze
burgerrechten tast niet alleen het persoonlijke leven van de burger aan maar
ook de wortels van onze samenleving als geheel. *
De tendens om op allerlei gebied de menselijke omgang te
vervangen door technische middelen is dom, gevaarlijk en niet in het belang van
de mens. *
Inhoudelijk is de wet ondeugdelijk omdat het doel van
identificatieplicht niet overeenkomt met het strafbaar stellen van mensen omdat
ze geen goedgekeurde documenten tonen. *
Er zijn geen duidelijke regels wanneer de wet wel en niet
van toepassing is. *
Omdat in de wet niet is aangegeven waarvoor deze is bedoeld,
brengt de wet de balans tussen overheid en burger uit balans. Het evenwicht
tussen rechten en plichten is zoek. *
Deze wet druist in tegen de Universele Verklaring van
de Rechten van de Mens, en van de Rechten van het Kind.

Onze samenleving is gegrondvest op het ideaal van vrijheid,
gerechtigheid en vrede. Uitgangspunt daarbij is dat dit alleen bereikt kan
worden als de waardigheid en onvervreemdbare rechten van elk mens worden erkend
en geëerbiedigd. De rechten van de mens zijn vastgelegd in de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens en de Rechten van
het Kind. Die bepalen dat iedereen recht heeft op leven, vrijheid en
onschendbaarheid van zijn persoon ( art. 3 UVRM).
Dat niemand onderworpen zal mogen worden aan willekeurige inmenging in zijn
persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn thuis of zijn briefwisseling
(art.12 UVRM) en dat ieder recht heeft zich vrijelijk te verplaatsen en te
vertoeven binnen de grenzen van elke Staat (- art.13UVRM). Artikel 16 van het
Verdrag inzake de Rechten van het Kind vermeldt in artikel 16, dat “privacy,
familie, huis en post van kinderen moeten worden beschermd tegen inmenging van
buitenaf”. Analoog aan deze universele mensenrechten is het Europese Verdrag
tot Bescherming van de Rechten van de Mens
en Fundamentele Vrijheden opgesteld. (EVRM)
Het fundamentele recht van iedere ingezetene om binnen de
Staat vrij te kunnen gaan en staan waar men wil, mits men zich niet aan
strafbare feiten schuldig maakt, is verleden tijd. Doordat de wet op de
uitgebreide identificatieplicht het strafbaar stelt dat mensen zich zonder
geldig persoonsbewijs in het openbaar bevinden wordt inbreuk gemaakt op een
fundamenteel burgerrecht. De wet maakt inbreuk op de privacy, en het recht op
bescherming daarvan, vanwege de vermelding van het Burger Service Nummer op het
legitimatiebewijs. Hierdoor krijgt de opsporingsambtenaar die iemand vraagt
zich te legitimeren automatisch de beschikking over gegevens die niets van doen
hebben met het vaststellen van de juiste personalia.
In het kader van Artikel 8 van het Europese Verdrag van de
Rechten van de Mens ( EVRM) had de regering vóór het invoeren van de wet
duidelijk moeten aangegeven waarom een inbreuk in de persoonlijke levenssfeer
noodzakelijk was. De Europese wetgeving verplicht dat, vóór de uitbreiding van
de ID-plicht, eerst onderzoek gedaan had moeten worden of de problemen en het
doel wat men wilde bereiken ook met andere minder ingrijpende middelen kon
worden bereikt en dat er een zorgvuldige belangenafweging had moeten
plaatsvinden tussen het beoogde doel en de vrijheidsbeperking die het gevolg
zou zijn. Dat onderzoek heeft niet plaatsgevonden.
Voor juridische goedkeuring heeft minister Donner slechts
een paar maatschappelijke problemen aangewezen zoals: hangjongeren, onbekende
omstanders bij burenruzie of brand, een onbekende die opduikt in een groepje
dealers, onrust in uitgaansgebieden en gezegd dat hij daarvoor de
identificatieplicht nodig heeft. Hier is dus geen sprake van een zorgvuldige
belangenafweging. In debatten met de Tweede en Eerste Kamer heeft de minister
het zwaarwegende belang van de identificatieplicht niet kunnen aantonen. Er
heeft géén onderzoek plaatsgevonden naar de noodzaak van de ID-plicht conform
de “social pressing need” in het kader van het Europese Verdrag van de Rechten
van de Mens, evenmin of het officieel opgevoerde doel, de handhaving van de
openbare orde, met andere meer doelgerichte maatregelen kon worden bereikt. Op
grond van bovenstaande constateren we dat de wet in strijd is met Art.8 lid 2
van het EVRM.
De
wet tast het fundament van ons nationale rechtstelsel aan.

De wet dient ter bescherming van de burgers.
Strafrecht heeft als doel om mensen ervan te weerhouden anderen te benadelen. Die
peiler waar ons rechtstelsel op steunde is door invoering van de ID-plicht wet
komen te vervallen, want ook de meest oppassende brave burger is volgens de
strafwet schuldig wanneer hij of zij zonder geldige formulieren naar buiten
gaat. Nederland kon tot voor kort fier zijn op een rechtstelsel, waar de wet de
burger beschermde volgens het principe dat niemand schuldig werd bevonden
totdat het tegendeel bewezen werd, en niemand verdacht was tenzij daar gerede
aanwijzingen voor waren. Ook deze belangrijke peiler onder het fundament van
ons rechtsbestel is bezweken. Door de invoering van de identificatieplicht
wordt vanaf 1 januari 2005 iedere burger als potentieel verdachte beschouwd.
Ook iedereen die bij politie en justitie werkt, hun gezinsleden, vrienden en
kennissen. Iedereen loopt de kans om gecontroleerd te worden en in de cel te
belanden in geval men bijvoorbeeld tijdens het joggen geen geldig
persoonsbewijs bij zich draagt of getuige is van een ongeluk.
Identificatiecontrole mocht volgens de toenmalige minister
van Justitie Donner geen doel op zich zijn van de wet. Dat liet hij eind 2004
de Kamer weten en zo is het ook in de richtlijnen van het College van
procureurs-generaal voor de uitvoering van de wet opgenomen. Maar nog voor de
wet een half jaar oud was, werden de bevoegdheden van de AIVD en politie, in
het kader van terrorismebestrijding, zodanig uitgebreid dat er geen concrete
aanleiding meer nodig was om iemand te verdenken van strafbare feiten. Zelfs
het vermoeden dat iemand eventueel in de toekomst iets strafbaars zou kunnen
gaan doen, werd voldoende aanleiding en in de praktijk bleek dat zelfs een
enkele anonieme tip volstond om mensen te vervolgen of op te pakken.
Onze rechtspraak is geworteld in de scheiding der machten.
Het basisprincipe dat onze rechtspraak onafhankelijk is van de wetgevende
macht, onderscheidt ons van regimes waar de rechtspraak niet vrij is om de
rechten van de burgers te wegen. Die scheiding brengt de regering in gevaar
door wetgeving in te voeren die indruist tegen de fundamentele grondrechten van
de burger. Aangezien in Nederland rechters, in tegenstelling tot in andere
Europese landen, wetgeving niet mogen toetsen aan de Grondwet worden zij, ook
als dat tegen hun eigen oordeel en geweten ingaat, zo gedwongen om hun
uitspraak te baseren op wat de wetgevende macht wil.
We zitten door de identificatieplicht opgescheept met
ondeugdelijke wetgeving, omdat deze niet volgens de Europese voorschriften is
ingevoerd en volgens veel mensen niet strookt met hun rechten op persoonlijke
vrijheid. Zo zijn we in een situatie beland dat de rechtspraak een wet moet
toepassen die onrechtmatig is ingevoerd en waarvan de toepassing niet stookt
met de vrijheid om ongehinderd te kunnen gaan en staan waar men wil en telkens
weer botst met de vrijheid van meningsuiting en het recht op demonstratie.
Klachten en bezwaarmogelijkheden
zijn niet goed zijn geregeld.

Voor hen die principieel bezwaar hebben tegen de
identificatieplicht is niet voorzien in een ontheffingsprocedure als
gewetensbezwaarde.
Dat betrof bij invoering van de ID-plicht in 2005 vooral de
mensen die principieel bezwaar hebben tegen de dwang om altijd een geldig
persoonsbewijs te moeten kunnen tonen als daarom wordt gevraagd. Maar de groep
bezwaarden zal ongetwijfeld groter worden naarmate de inbreuk op de privacy
groter wordt door invoering van het Burger Service Nummer (BSN), waardoor de
identificatiebewijzen toegang geven tot alle gegevens over een persoon waarover
de overheid beschikt. Te verwachten valt bovendien dat, naarmate de gevaren
ervan duidelijker worden, steeds minder mensen een biometisch- gechipt
persoonsbewijs accepteren. Zolang er geen alternatief komt voor de
reisdocumenten die nu als geldig ID-bewijs gelden, zullen zij niet aan de
identificatie verplichting van de WU-ID kunnen voldoen.(1)
Momenteel is het, met mate, nog mogelijk om
anoniem (NN) te blijven. Uit principe kan bijvoorbeeld iemand, die het verzoek
om zich te identificeren onrechtmatig vind, weigeren om zijn of haar naam
bekend te maken. De overheid heeft in dat geval het recht om iemand vast te
zetten en te proberen zelf uit te zoeken wie de betrokkene is. Daartoe heeft
men de bevoegdheid de persoon te fouilleren en om foto’s en vingerafdrukken te
maken. Wie niet via deze gegevens te traceren is, bijvoorbeeld omdat hij nooit
de wet overtrad en bij geval niet in de politieregisters voorkomt, verlaat na
afloop van de maximale termijn van 12 uur voorlopige hechtenis anoniem de cel
(de uren tussen 24.00 uur en 9.00 uur tellen niet mee).
In principe kun je ook nog steeds als anoniem persoon je
zaak bij de rechter bepleiten. In de praktijk blijkt echter dat mensen die
anoniem willen blijven vaak rechteloos worden.
Zo bleek al in 2005 dat mensen die niet mee wilden werken
aan hun identificatie regelmatig een nacht in de cel moesten doorbrengen om de
volgende dag zonder kopie van het proces-verbaal, dus zonder bewijs van
aanhouding en arrestatie, de straat op te worden gekinkeld. Dit waren geen
vergissingen, maar gebeurde ook in gevallen dat betrokkenen uitdrukkelijk om
afschrift van het proces-verbaal of afschrift van hun afgelegde verklaring
vroegen. Het pesten van opgepakte NNers door ze geen toiletbezoek toe te staan,
geen eten te geven, en hardhandig tegen ze op te treden, was zo’n algemeen
verschijnsel dat arrestanten die NN wilden blijven een dergelijke behandeling
vaak al incalculeerden als ze bij demonstraties werden opgepakt. Het afpakken
van medicijnen ging nog een stapje verder. We kregen eerder al meldingen van
diabetici die niet op tijd te eten kregen of niet op tijd in de gelegenheid
werden gesteld insuline te spuiten, maar in 2006 moest een NNer het zelfs met
een hartaanval bekopen dat de politie in Amsterdam hem zijn hartmedicijnen had
afgepakt en pas wilde teruggeven als hij zijn naam wilde geven. Vanaf 2007
kregen we vervolgens steeds vaker meldingen dat het opsluiten in
vreemdelingendetentie als pressie middel werd ingezet. Gewone Nederlandse
staatsburgers dreigde men voor onbepaalde tijd op te sluiten net zolang tot ze
hun identiteit prijs gaven. Toen men er toe overging om dit dreigement
daadwerkelijk uit te voeren, oordeelde de rechter dat dit niet door de beugel
kon maar ging de politie Utrecht met deze praktijken door.
Voor wie een geschil over de rechtmatigheid van identiteitscontrole
aan de rechter willen voorleggen, is het vaak lastig om daartoe de gelegenheid
te krijgen. De ID-plichtwet gaat er wel van uit dat wie het er niet mee eens is
met zijn aanhouding dit aan de rechter kan voorleggen, maar als het OM geen
rechtzaak aanspant wordt dat moeilijk. Het OM betoont zich uiteraard niet
enthousiast om over al die ID-plichtzaken te procederen die niet conform de
wetsbepalingen tot stand kwamen en al helemaal niet als daar onrechtmatig
politieoptreden bij te pas kwam, en seponeert zoveel mogelijk gevallen van
mensen die weigeren het CJIB te betalen. Zodoende blijven de meeste mensen, die
hun onrechtmatige uitgeschreven boete of vrijheidsberoving voor de rechtbank
willen aanvechten tot 2 jaar minus één dag in het ongewisse of er nog een
oproep komt of dat de rechtzaak is afgeblazen.
Men wordt in geval van sepot niet geïnformeerd en moet, als
men bang is om een eventuele oproep te missen, tijdens een verblijf in het
buitenland bijvoorbeeld, zelf bij het OM zien uit te vissen waar zijn of haar
‘geval’ in de justitiële pijplijn zit. Als de twee jaar verstreken zijn kan men
niet bij justitie zijn recht op een rechtzitting afdwingen, maar is de enige
mogelijkheid om dit via een klacht bij de Nationale Ombudsman te
bewerkstelligen.
Voor NNers wordt dit extra moeilijk omdat de Ombudsman NN
klachten alleen accepteert als iemand aannemelijk kan maken dat de klager
ernstige vervolging door politie- of justitie te vrezen heeft bij bekendmaking
van zijn identiteit.
De praktijk is dat volkomen onschuldige burgers die
onrechtmatig worden lastiggevallen met de ID-plichtwet, op de bon kunnen worden
geslingerd en van hun vrijheid kunnen worden beroofd, zonder dat zij zich hier
niet tegen kunnen verweren. Voor wie in een dergelijke situatie belandt en niet
wil meewerken door zich bekend te maken, betekent het bovendien dat de overheid
van de betrokkenen een foto en vingerafdrukken maakt die worden opgeslagen in
politie- justitieregisters waaruit ze niet kunnen worden verwijderd.
Wie vind dat hij niet goed is behandeld door een
opsporingsambtenaar, kan daar in principe een klacht over in te dienen. Wie een
klacht wil indienen tegen toepassing van de ID-plichtwet, moet dat doen bij de
instantie die de bekeuring heeft uitgedeeld. Dat er geen onafhankelijk
instantie is, waar men zich met een klacht toe kan wenden, is op zich al niet
erg bevorderlijk voor een onafhankelijke klachten behandeling. We kregen
meldingen binnen van klachten die door de politie eenvoudigweg niet in
behandeling werden genomen, vaak van gevallen dat men geen klacht kon indienen
omdat de betrokken opsporingsambtenaar weigerde zijn naam of nummer te geven,
of doordat men pas na post van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB)
ontdekte dat men een bekeuring had gekregen, waarna het bezwaar maken over een
ID-boete bij de politie een gepasseerd station is. Om een klachten te kunnen
indienen tegen een buitengewone opsporingsambtenaar is nog lastiger dan tegen
de reguliere politie omdat mensen dan eerst moeten uitzoeken bij welke dienst
zo iemand werkt.
Als een klacht in behandeling wordt genomen vergt dat
veel uithoudingsvermogen van de burger. Wie zich niet na een eerste gesprek met
de klachtencoördinator laat afschepen blijkt vervolgens rustig 7 maanden te
moeten wachten voor hij een oproep krijgt van de klachtenhoorcommissie om
gehoord te worden.
Het resultaat van zo’n klacht schiet de gedupeerde
zelf uiteindelijk ook weinig mee op omdat het klachtencircuit de klager niet
schadeloos kan stellen, maar uitsluitend dient als ‘leerelement’ voor het
functioneren van de opsporingsdienst zelf.
Men kan tegen het CJIB ook geen inhoudelijke klacht
indienen, als het over de ID-plicht gaat. Wie het niet met de gang van zaken
eens is kan dit enkel kenbaar maken door het afkoopvoorstel niet te betalen.
Door dit systeem wordt nergens geregistreerd waarom mensen het niet eens zijn
met de toepassing van de wet. Sterker nog: omdat veel mensen niet weten dat de
ID-boete geen echte boete is die men moet betalen, maar een transactievoorstel
om in ruil voor een afkoopsom schuld te bekennen, lijkt het erop dat al die
mensen die braaf betalen het eens zijn met hun schuldigverklaring.
Dat geldt voor al die duizenden die niet zo bijdehand zijn
om te weten dat je door niet te betalen niet in het aanmaningencircuit terecht
komt, de boete niet oploopt en je geen deurwaarder aan de deur krijgt of op het
vliegveld wordt verhinderd op vakantie te gaan totdat je betaald hebt. Maar ook
voor mensen die betalen omdat ze het eng vinden of als schande beschouwen om
voor het gerecht gedaagd te kunnen worden.
Wie een dagvaarding krijgt van de rechtbank kan daar
officieel bezwaar tegen aantekenen bij het Openbaar Ministerie. Veel mensen
weten dat niet, kunnen dat niet of durven dat niet, waardoor ook deze
klachtmogelijkheid niet goed functioneert. Dit treft met name de groep daklozen
en mensen die psychisch in de war zijn, waartegen het OM wel rechtzaken
doorzet.
Van de meer dan 80% van de gevallen waarin het OM de zaken
niet doorzet blijft onduidelijk waarom mensen bezwaar hadden tegen de
toepassing van de wet. De overheid schijnt van mening te zijn dat ons
rechtsysteem zo in elkaar zit dat wie onrechtmatig is aangehouden of zelfs van
zijn vrijheid is beroofd, allang blij mag zijn als hij niet ook nog een boete
hoeft te betalen en nooit meer iets van de zaak hoort.
Wie wel een rechtzaak krijgt stuit op een ander obstakel om
klachten aan te kaarten. Rechters mogen namelijk de wet op zich niet
veroordelen, al vinden ze het nog zo tegen iedere fatsoenlijk rechtsysteem indruisen.
Dat betekent dat mensen enkel de wijze van toepassing van de wet kunnen
aanvechten, maar niet het feit dat ze principieel bezwaar tegen de wet hebben.
Die aanklacht tegen de ID-plicht hoort in het parlement thuis, volgens de
woorden van diverse rechters die zich zo verontschuldigden voor wetgeving waar
ze niet achter staan.
Maar met klachten vangt men bij het parlement bot omdat de
wet er niet op zijn merites wordt beoordeeld.
De enige weg om de wet aan te vechten is om door te
procederen tot alle juridische mogelijkheden in Nederland zijn uitgeput en men
een klacht kan indienen bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens in
Straatsburg. Maar ook deze weg is in de praktijk onbegaanbaar omdat wie wordt
vrijgesproken niet kan doorprocederen, wie wordt veroordeeld in hoger beroep
weer bij een rechtbank komt die de Grondwet niet mag toetsen, en de Hoge Raad
zich niet inhoudelijk met zaken bemoeit maar zich enkel uitspreekt of de juiste
procedures in acht zijn genomen.
Dat betekent al met al dat inzake de ID-plicht noch het
klachtencircuit noch de rechtsgang mogelijkheid bieden voor de benadeelde
burger om zijn recht te halen.
Niemand houdt in de
gaten hoe de toepassing van de wet uitwerkt, er is geen monitoring

Hoewel de ID-plicht wet diep ingrijpt in het persoonlijke
leven van iedere burger, voelt de overheid zich niet geroepen om op een of
andere manier bij te houden hoe deze wet in de praktijk uitpakt:
·
Bij
de overheid is niet bekend hoeveel bekeuringen er werden uitgedeeld. Er wordt
namelijk niet op onderwerp geregistreerd hoeveel bekeuringen worden
afgekeurd/geseponeerd.
·
Er
wordt nergens bijgehouden hoeveel bekeuringen ten onrechte worden uitgedeeld.
·
Onbekend
blijft hoe vaak de bekeuringen niet voldoen aan de minimale eis dat vastgelegd
moet worden waarom in dit specifieke geval om identificatie werd gevraagd.
·
Er
wordt niet geregistreerd hoe vaak het voorkomt dat het strafbare feit dat
aanleiding vormt om naar identificatie te vragen onbestraft blijft.
·
Er
is niet bekend hoeveel minderjarigen onder de 18 boetes krijgen.
·
Er
zijn geen harde gegevens of mensen van allochtone afkomst vaker dan anderen
gesommeerd worden zich te legitimeren.
·
Er
wordt niet bijgehouden waarom de sepo’s
plaatsvinden.
·
Er
is niet bekend hoeveel arrestaties plaatsvonden.
·
Er
is niet bekend hoeveel klachten werden ingediend. Ook niet waar de klachten
over gingen.
·
Er
is niet bekend hoeveel mensen het overkomt dat ze pas na een transactievoorstel
ontdekken dat ze een ID-boete kregen.
·
Er
is niet bekend hoeveel mensen op de hoogte worden gesteld als de
oorspronkelijke boete niet doorgaat.
·
Er
is niet bekend hoeveel rechtzaken er werden gevoerd, wat de uitslag van die
rechtzaken was, en hoeveel mensen in hoger beroep gingen.
Het Meldpunt Misbruik Identificatieplicht, als
onafhankelijke vrijwilligersorganisatie, en onderzoeksburo Jansen& Jansen
lijken de enige groeperingen die zicht hebben op de toepassing van de wet en
die proberen te volgen hoe de ontwikkelingen qua persoonsregistratie zich
verhouden tot de identificatieplicht.
Het kabinet blijkt nauwelijks interesse te hebben in de
maatschappelijke gevolgen van de wet. Toen de pers, in september 2005, aandacht
besteedde aan de algehele onvrede over de ID-plicht en het feit dat mensen 200
ID- boetes per dag veel vinden, pareerde minister Donner dat met de mededeling
dat hij het aantal boetes nogal mee vond vallen. Dat het CJIB eind 2005
cijfers publiceerde waaruit bleek dat de ID-boetes voornamelijk als bijvangst
een extra bron van inkomsten vormt bij kleine overtredingen, was hij het daar
gewoon niet mee eens ‘omdat je dat niet zo mocht zien’. Toen deze minister het
parlement moest toegeven dat hij niet één voorbeeld kon noemen waarin de
ID-plicht zou hebben geholpen om criminaliteit te voorkomen of op te lossen,
vormde dat voor hem noch voor de Kamer een gegeven om consequenties aan te
verbinden. Cijfers van het voorlopig onderzoek naar de toepassing van de wet,
die de Kamer vóór eind 2006 werden toegezegd, zijn twee jaar later nog steeds
niet beschikbaar en de wet evalueren, zoals bij invoering was afgesproken,
heeft het kabinet geen zin in.
Ook niet toen onderzoeksburo Jansen&Jansen in 2007
aantoonde dat meer dan 40% van de ID-boetes gevallen betreft van willekeurige
identiteitscontrole, waar de wet uitdrukkelijk niet voor zou worden gebruikt en
de praktijk bewijst dat het CJIB van al mensen die een boete kregen omdat hun
identiteit kennelijk niet gecontroleerd kon worden wel weet om wie het als men
hen een acceptgiro toestuurt.
Principieel bezwaar is dat het de samenleving van mensen regelt op basis
van wantrouwen
onderling en angst voor gevaar van buitenaf. Zo’n negatieve grondslag is in
principe verwerpelijk en in tegenspraak met de democratische rechtstaat.

De ID-plichtwet behoort te regelen dat mensen waarvan niet
duidelijk is wie ze zijn geïdentificeerd moeten kunnen worden. Maar de wet
veroorzaakt dat mensen waarvan niet aan de identiteit getwijfeld kan worden,
strafbaar worden wanneer ze op bevel daartoe niet de voorgeschreven documenten
tonen. Zo kan het iedere onschuldige burger overkomen dat hij voor een
strafbaar feit vervolgt wordt. De wet maakt dat iedereen bij voorbaat als
potentieel verdachte wordt beschouwd en wie als verdachte vervolgt wordt kan
hooguit achteraf onschuldig wordt bevonden. Het rigoureus aanhouden en bekeuren
van mensen omdat ze geen geldige papieren tonen is een bewust beleid vanuit de
regering om het volk te laten wennen aan de nieuwe controlesamenleving. Zo
bevordert de wet niet de vrijheid en veiligheid van de bevolking maar de
mogelijkheden van de overheid om het doen en laten van bevolking in de gaten te
houden.
Omdat de huidige overheid een principieel wantrouwen tegen
iedere burger koestert neemt het wantrouwen van de bevolking naar de regering
evenredig toe.
De wet heeft een negatieve invloed op hoe mensen tegen de
handhavers van de wet aankijken. Steeds meer mensen beschouwen het handhaven
van de ID-plicht als geldklopperij en beleven de manier waarop dit gebeurt als
willekeur. Steeds meer mensen gaan de politie en bijzondere opsporingsambtenaren
als tegenstander zien. Dat is niet bevorderlijk voor normale contacten. Het
belemmert bijvoorbeeld wijkagenten om vertrouwensrelaties op te bouwen, en
veroorzaakt het dat mensen minder behulpzaam zijn om aan de politie verdachte
situaties te melden of getuigenis af te leggen. Dat steeds meer mensen een
hekel krijgen aan de politie heeft natuurlijk ook zijn weerslag op het gedrag
van de mensen die bij de regionale politiekorpsen, bij de verschillende
politiediensten en de Marechaussee werken. Voor mensen die bij Justitie werken
geldt deels hetzelfde. Na alle missers en schandalen van de afgelopen jaren
gaat het Openbaar Ministerie gebukt onder een algemene publiekelijke minachting
vanwege het falen om zware criminaliteit te bestrijden. Dat daarentegen gewone
burgers bestraft worden, enkel omdat ze geen geldig formuliertje tonen, zet
kwaad bloed. De hoon, of men niks beters te doen heeft, treft ook de
rechtbanken. Mensen beboeten en gevangen zetten, puur vanwege het niet
onmiddellijk tonen van een officieel ID-bewijs, brengt de rechtspraak in
diskrediet. Het werkt de verharding in de samenleving in de hand.
Mensen behoren zich jegens elkaar te gedragen in een geest
van broederschap (artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de
Mens). Vertrouwen in elkaar en de wil samen het beste van het leven te maken,
horen de grondslag te zijn van een sociale samenleving. Vertrouwen is de smeerolie
van een goed functionerende samenleving. Waar vertrouwen ontbreekt moet alles
formeel, via juridische regels, worden georganiseerd. Dat is geen zijige
opvatting van zweverige idealisten maar was de conclusie van de directie van De
Nederlandse
Bank die eind 2005 al waarschuwde door te stellen dat de hele economie
kapot zou gaan als alle handelsverkeer op wantrouwen berust.(2 ) Een samenleving gebaseerd op wantrouwen
is gedoemd ten onder te gaan. Angst blijkt eens te meer een slechte raadgever.
Het inperken van ons persoonlijke
leven tast de wortels van onze samenleving aan.

We zeggen niet zomaar dat de fundamentele vrijheid van
iedere burger de ID-plicht steeds verder wordt ingeperkt. Dit heeft alles te
maken met het feit dat de schending die hij maakt op de persoonlijke vrijheid
te kunnen gaan en staan waar men wil, nog maar een begin was van de privacyschending
die de wet echt veroorzaakt.
De verplichting om een ID-bewijs te moeten tonen was hooguit
bedoeld als maatregel om de burger de macht van de overheid te laten voelen.
Maar veel belangrijker was dat de wetgeving het noodzakelijk maakte dat iedereen
vanaf 14 jaar verplicht een ID-bewijs moest aan schaffen. Voorheen had lang
niet iedereen dit, omdat men het enkel nodig had om naar het buitenland te
kunnen reizen.
De recente ontwikkeling waarbij de oorspronkelijke
paspoorten en ID-kaarten stapsgewijs geavanceerder worden en toegang tot meer
gegevens gaan bevatten, zorgde ervoor dat het tonen van een geldig ID-bewijs
verplicht werd gesteld.
De inbreuk die de ID-plicht op de persoonlijke vrijheid
maakt wordt, zonder dat er iets aan de wet hoeft te worden verandert steeds
groter. Evenredig met de opwaardering van de ID-bewijzen krijgt degene die het
identiteitsbewijs controleert immers de beschikking over steeds meer gegevens
die met het vaststellen van identiteit niets van doen hebben.
Het koppelen van iemands persoonsgegevens met gegevens uit
andere bestanden is dan een koud kunstje. En zo geeft de bevoegdheid om het
tonen van een identiteitsbewijs te vorderen aan politie en justitie een
efficiënt middel om van iedere burger zijn gangen te kunnen nagaan. Een
bevoegdheid die deze diensten, wat betreft mensen die niet expliciet verdacht
worden van strafbare feiten, ook pas de laatste jaren kregen toebedeeld. (3)
De inperking van de privacy wordt navenant groter nu de
ruimere bevoegdheden en mogelijkheden om mensen te registreren en te
controleren gepaard gaan met de ontwikkeling dat ze steeds minder gecontroleerd
kunnen en verantwoord hoeven worden. (4)
De bescherming van de privacy wordt extra in gevaar gebracht
omdat het registreren en controleren van persoonsgegevens voor steeds meer
doeleinden wordt gebruikt. Dit verschijnsel dat processen, procedures en
technische mogelijkheden die met een bepaald doel werden ingevoerd uiteindelijk
gebruikt worden voor zaken waar ze nooit voor bedoeld waren noemt men Function
Creep.
Als voorbeeld dient de ID-plichtwet die in 2005 werd
ingevoerd ter ondersteuning van het uitoefenen van politietaken, maar die
biinen een jaar ertoe leidde dat de minister van Volksgezondheid alle
ziekenhuizen verplichtte om per 1 januari 2006 mensen pas medische hulp te
bieden na vertoon van geldig legitimatiebewijs (5)
Zo werpen winkeliers, beveiligingsmaatschappijen en
financiële instellingen zich, gestimuleerd en gesubsidieerd door de overheid,
telkens op de beveiliging van dienstverlening of bepaalde lokaties maar wordt
de persoonsregistratie die ze daarvoor inzetten binnen de kortste keren
gebruikt voor commerciële belangen.
Sinds een paar jaar kan niemand meer in de gaten kan houden
waar zijn persoonlijke gegevens allemaal staan geregistreerd, laat staan wie
erover kan beschikken en wat ermee gebeurt en of de gegevens wel kloppen. De
Wet Bescherming Persoonsgegevens stelt dat wanneer persoonlijke gegevens buiten
de betrokkene om worden gebruikt en/of misbruikt dat een inbreuk vormt op
iemands persoonlijk leven en de voorzitter van het College Bescherming
Persoonsgegevens waarschuwt jaar op jaar dat als dit op grote schaal gebeurd
het of ertoe leidt dat mensen helemaal geen persoonlijk privé leven meer kunnen
hebben.
Wij zijn van mening dat wanneer mensen in een situatie
worden gebracht dat ze geen recht meer kunnen oen gelden op een persoonlijk
leven je dat als ultieme vorm van vrijheidsberovingkan bestempelen.
Het vormt een aantasting van ons hoogste goed, als de
rechten van de mensen in onze maatschappij zodanig geminacht worden dat ons
privé-leven in de uitverkoop wordt gedaan. Mensen zullen onvermijdelijk een
speelbal worden van machten waar ze geen invloed op hebben. Ongecontroleerde
macht corrumpeert altijd en leidt onvermijdelijk tot tirannie en onderdrukking.
Onze beschaving wortelt in het idee dat mensen een eigen
verantwoordelijkheid hebben en het recht hebben om zich te ontwikkelen en te
veranderen. Dat wordt onmogelijk als mensen geen persoonlijk leven meer hebben.
Als de optelsom van wat er over hen geregistreerd staat en het profiel wat
daaruit van ze wordt samengesteld belangrijker wordt dan de persoon zelf.
Als dit proces van ontmenselijking niet wordt gekeerd zal
dat het einde inluiden van de beschaving waar onze ouders en voorouders voor
geploeterd en gevochten hebben.
De tendens om op allerlei gebied de
gewone menselijke omgang te vervangen door technische middelen is dom,
gevaarlijk en niet in het belang van de mens.

Door de invoering van de ID-plichtwet werd duidelijk hoe
achterdochtig de regering is ten opzichte van iedere burger. Alsof iedereen die
gewoon zegt wie hij is wel zal liegen. Zelfs als iemand met persoonlijke
eigendommen en bescheiden bewijst dat hij echt is wie hij zegt te zijn mag dat
als onvoldoende identificatie bestraft worden.
Hieruit blijkt dat de wet helemaal niet bedoeld is om van
mensen de identiteit te kunnen vaststellen, maar dat de opzet is om een systeem
te ontwerpen waar mensen door apparaten herkent
kunnen worden.
Er is een staatsinrichting in de maak die stoelt op het
continu registreren en controleren van alle burgers door de overheid. Men is
naarstig bezig om van alle inwoners in het land genoeg lichamelijke kenmerken
vast te leggen zodat ieder individu door apparaten gescand, herkend en
geregistreerd kan worden ook zonder dat hij daar zelf iets van in de gaten
heeft.
Het geloof dat apparaten efficiënter zouden werken dan
mensen wordt door onderzoek gelogenstraft: 10% foutmeldingen in verband met
zowel het vastleggen als herkennen van mensen aan de hand van gezichtsscan en
5% in verband met vingerafdrukken zijn de resultaten van proeven met de
invoering van biometrische paspoorten. Deskundigen, zoals het hoofd is van de
afdeling bewaking persoonsgegevens in de Bondsrepubliek waarschuwen, openlijk
dat verbetering van controle door apparaten in plaats van door mensen ernstig
overschat wordt. Het gebruik van DNA voor de opsporing wordt zwaar overschat,
nog los van de onbetrouwbaarheid die ontstaat als gegevens niet goed worden
vastgelegd of verkeerd geïnterpreteerd(8).
Toch leiden al dit soort gegevens en alle waarschuwingen van
deskundigen uit alle betrokken disciplines van computerbeveiliging tot
rechtsgeleerdheid van politicologie tot menswetenschappen, niet tot enige terughoudendheid
in het ontwikkelen van controle- apparatuur of van invoering van wetgeving die
het gebruik ervan juridisch legitimeert.
De overheid gaat ongestoord door met het verzamelen en
vastleggen van zoveel mogelijk gegevens over de burger. Men wil een databank
waarin van iedere burger zijn automatisch herkenbare biometrische gegevens,
zijnde de gezichtsscan, de vingerafdrukken en het DNAprofiel, zijn opgeslagen.
Men wil exact weken waar iedereen zich op enig moment bevindt en wat de
bewegingspatronen van mensen zijn.(9)
Men wil weten welke mensen met elkaar communiceren en waar
mensen hun informatie vandaan halen.(10)
Massale opslag van wie lid is van een club, wie welke boeken
of video’s leent, wie wat in welke winkel met een klantenkaart koopt, alle
banktransacties, alle gegevens die ergens worden vastgelegd en zijn vanaf 1
januari 2006 op grond van de Wet Vorderen Gegevens door politie en justitie
opvraagbaar.
Deze gegevens kunnen dan via computers gekoppeld worden aan
het Burger Service Nummer waarmee ook terug te vinden is waar iemand verzekerd
is, in welk ziekenhuis of bij welke tandarts hij eventueel behandeld is, welke
medicijnen hij gebruikt, wat zijn medisch verleden is en zijn huidige
diagnosebehandelplan.
Al is het een uitgemaakte zaak dat uitgerekend de mensen met
slechte bedoelingen die er belang bij hebben om niet geregistreerd te worden,
zich hier aan kunnen onttrekken, worden de maatregelen aangeprezen als
veiligheidsmaatregelen en terrorismebestrijding.
Dat het onmiskenbare gevolg van de ongebreidelde opslag van
zo’n gigantische hoeveelheid gegevens een onwerkbaar systeem zal opleveren,
wordt genegeerd en de registratiesystemen worden aan de man gebracht als
klantvriendelijk en lastenverlichtend voor de burger.
De trein die op stoom is gekomen dendert onstuitbaar voort.
Van kinderen die nog geboren moeten worden wil men alle
gegevens,. Scholen moeten leerprestatievolgsystemen bijhouden en iedere
zorgverlener moet over elke minuut dat hij aan het werk is administratief
verantwoorden hoeveel minuten men besteedde aan welke categorie zorg.
Het heilige geloof dat de veiligheid gediend zou zijn met
het vastleggen van zoveel mogelijk gegevens per persoon blijkt uit de
voorstellen om van alle pasgeboren baby’s vanaf de geboorte een elektronisch
kinddossier aan te leggen met zowel de persoonlijke gegevens, gegevens van
andere gezinsleden en van kontakten met bijvoorbeeld hulpverleningsinstanties.
Zelfs de meest intieme vertrouwelijke gegevens over seksuele voorkeur en vorm
en kleur van het schaamhaar wil men vastleggen.
De onvermijdelijke conclusie luidt dat het streven van al
deze controlesystemen er toe dient dan wel toe leidt dat ieder mens gereduceerd
wordt tot een optelsom van te registreren gegevens.
Een berg gegevens die zichzelf gaat vermenigvuldigen omdat
het linken van die gegevens, middels zogenaamde hits, een nieuwe berg
informatie oplevert.
Een duidelijk voorbeeld van waar dit toe leidt komt uit
Duitsland waar met dit linke systeem werd geëxperimenteerd om criminaliteit te
bestrijden. Het resultaat was duidelijk: het koppelen van gegevens leverde
nauwelijks bruikbare informatie op, maar wel zo veel werk, dat de politie geen
tijd meer had om de orde op straat te handhaven.
Codes van geheime informatie zijn te kraken zodat mensen of
instanties, waar de informatie niet voor bedoeld is, er toegang toe krijgen. De
versleuteling van de nieuwe paspoorten werd, nog voor ze werden ingevoerd, al
gekraakt. Het gebruik van op afstand uitleesbare radio frequentie chips (RFID)
blijkt niet alleen principieel onveilig maar praktisch ook zeer eenvoudig te
gebruiken om beveiligingssystemen buiten werking te stellen, betaalkaarten te
kopiëren en paspoorten te kunnen vervalsen. Met alle gegevens kan geknoeid
worden: gegevens kunnen veranderd worden en/of verkeerd aan elkaar worden
gekoppeld en fout worden geïnterpreteerd. Alles wat gebruikt kan worden kan ook
misbruikt worden, en dus zal er onvermijdelijk oneigenlijk gebruik worden
gemaakt van alle opgeslagen gegevens. Zoals altijd weer zal dit gebeuren om er
macht mee te verwerven en/of geld aan te verdienen.
Overal zullen fouten gemaakt worden en gevallen van misbruik
optreden. Of dat nou is binnen de commercie, de zorgverlening, het criminele
circuit of de overheid, de gevolgen voor de slachtoffers zullen variëren van
lastige tegenvallers tot complete diefstal van hun identiteit.(7)
Wat betreft de overheid loert hier het grootste gevaar omdat
niemand zich aan de overheid kan onttrekken en bij gevolg iedereen er
slachtoffer van kan worden. Wat de gevolgen dan zijn als het dan niet blijft bij
individuele gevallen maar de eerste de beste overheid of machthebber die niet
het welzijn van de bevolking voor ogen heeft zo’n pasklaar systeem aantreft om
totalitaire macht te kunnen uit oefenen, vergt niet veel verbeeldingskracht.
We stevenen op een maatschappij af waar niet alleen
uitgeprocedeerde asielzoekers, psychiatrische dwaallichten en dakloze
medemensen maatschappelijk uitgesloten raken, maar iedereen die geen geldige
documenten heeft.
Zo zullen de maatregelen die oorspronkelijk vooral bedoeld
waren om vreemdelingen te weren en illegalen uit te zetten, als een boemerang
naar de hele bevolking terug.

Inhoudelijk is de wet ondeugdelijk omdat het doel van de
identificatieplicht niet overeenkomt met het strafbaar stellen van mensen als ze
geen goedgekeurde documenten tonen.

De ID-plichtwet vormt een onderdeel van het zogenaamde
veiligheidsprogramma dat het kabinet invoerde. Onderdeel van dat programma
waren de prestatiecontracten met de politie. De politie kreeg de verplichting
opgelegd om jaarlijks 80.000 extra misdrijven aan te pakken en vanaf 2006 ieder
jaar 40.000 extra zaken aan te leveren bij het Openbaar Ministerie.(11)
Na één jaar ID-plicht waren er, volgens de cijfers van het
Centraal Justitieel Incasso Bureau, 66.241 bekeuringen aangeleverd bij het
Openbaar Ministerie en met enige fluctuaties krijgen sinds de invoering
dagelijks door het hele land zo’n honderd mensen een ID-bekeuring. Het
feitelijke aantal ligt hoger maar is onbekend, omdat niet geregistreerd wordt
hoeveel bonnen de eerste controle binnen de verbaliserende organisatie niet
doorstaan.
Deze cijfers maken op zich al duidelijk dat het uitdelen van
ID-bonnen niet bijdraagt aan de veiligheid want door mensen strafbaar te
stellen voor iets wat het jaar ervoor nog niet strafbaar was en waarmee ze
niemand benadelen, maak je criminelen en creëer je zelf de toename van
criminaliteitscijfers. Om vervolgens met de aldus opgeschroefde criminaliteitscijfers
de angstgevoelens van de bevolking aan wakkeren en tegelijkertijd de indruk
proberen te wekken hoe goed er opgetreden wordt, omdat er dagelijks extra
bonnen worden uitgedeeld, mag je toch wel als misleiding bestempelen.
Er zijn geen
duidelijke regels wanneer de wet wel en niet van toepassing is.
In de Richtlijnen voor de toepassing van de WU-ID van het
College van procureurs Generaal , de “Aanwijzing Uitbreiding Identiteitsplicht
punt 2”, staat dat toepassing van de identificatieplicht een instrument beoogt
te verschaffen om de handhaving van het toezicht door de overheid over de hele
linie te versterken en dat handhaving nooit een doel op zich kan zijn. Daarom
dient volgens de richtlijnen in geval van een proces-verbaal(p-v), terzake van
het niet voldoen aan de identificatieplicht, altijd vermeld te worden in welk
kader in dit specifieke geval de inzage van het identiteitsbewijs is gevorderd.
Het is onvoldoende wanneer slechts algemeen wordt aangegeven
dat de identiteitscontrole plaats vond op grond van één van de drie
politietaken, te weten strafrechtelijke handhaving, handhaving van de openbare
orde of hulpverlening. In het p-v moeten de feiten en omstandigheden worden
gerelateerd op basis waarvan de opsporingsambtenaar het redelijkerwijs
noodzakelijk heeft geacht de inzage van het legitimatiebewijs te vorderen.
Gebeurt dat niet dan is de bekeuring ongeldig.
Dat lijkt een duidelijke regel, maar na 4 jaar blijken de
meeste agenten niet te weten dat dit de voorschriften zijn. We krijgen dan ook
nooit bekeuringen onder ogen die aan bovenstaande voorschriften voldoen en
wagen te betwijfelen of die wel bestaan.
Eind 2008 bevestigd een publicatie van Bart Klink,
(hoogleraar jurisprudentie en rechtsgeschiedenis) dat agenten niet van deze
voorschriften op de hoogte zijn en dat dit voor de hoofdcommissaris uit
Groningen de reden vormde om het ruim 3 jaar na invoering van de wet nog maar
eens in een brief aan zijn personeel duidelijk te maken.
Reden omschrijving Politie Haaglanden:’het niet voldoen aan
de verplichting om een identificatiebewijs ter inzage aan te bieden’.
Wat de toepassing hoogst onduidelijk maakt is dat
opsporingsambtenaren ten eerste zelf moeten uitmaken wanneer ze identiteitscontrole
nodig vinden en ook zelf moeten bepalen
hoe ze reageren in geval iemand geen geldig legitimatiebewijs toont:
·
Wel
of niet iemand op zijn woord geloven als hij zijn naam geeft;
·
Wel
of geen genoegen nemen met fotokopie van ID-bewijs;
·
Wel
of geen genoegen nemen met andere eigendommen of bescheiden waar iemand mee
aantoont dan wel aannemelijk maakt wie hij is;
·
Iemand
wel of niet in de geledenheid stellen het ID-bewijs op te halen als het niet
onmiddellijk getoond kan worden. En als dat in principe wordt toegestaan binnen
welk concreet tijdsbestek of welke afstand;
·
Iemand
in de gelegenheid stellen een ander te vragen om het ID-bewijs op te halen;
·
Iemand
al dan niet waarschuwen dat officieel geen
ID- bewijs tonen bij wet strafbaar is, al dan niet een boete uitdelen;
·
Wel
ID-bewijs vorderen maar enkel een boete uitdelen vanwege de aanleiding dit te
doen (zoals bijvoorbeeld voor een begane verkeersovertreding);
·
Al
dan niet directe afdoening ( betaling) van de boete eisen als mensen geen vaste
woon of verblijfplaats hebben
·
Al
dan niet iemand arresteren;
·
Al
dan niet een extra boete wegens belediging geven als iemand boos is geworden;
·
Al
dan niet contact opnemen met de hulpverleningsinstantie als iemand zegt dat
zijn ID- bewijs in de kluis bewaard wordt;
·
Wel
of geen gebruik maken van de identiteitscontrole om te controleren of iemand
nog boetes heeft uitstaan.
·
Zelfs
in geval iemand wordt gevraagd zijn rijbewijs te tonen, dat niet bij zich heeft
en hij vervolgens helemaal geen officieel ID- bewijs blijkt te kunnen overleggen
mag de agent zelf uitmaken of er een bekeuring wegens niet tonen van rijbewijs
van 35 euro wordt uitgeschreven of, op grond van de ID-plichtwet, een duurdere
van 50 euro.
·
Kennelijk
kan de verbalisant ook zelf uitmaken of hij iemand direct meedeelt dat hij een
ID-boete krijgt of dat het CJIB dit kenbaar maakt.
Onduidelijke regelgeving leidt tot stuurloosheid bij degene
die de wet moeten toepassen waardoor met name “de jonge onervaren agenten op de
straat” snel tot bekeuren overgaan zoals de politietop zelf aangeeft.(12) Het leidt tot willekeur in toepassing
van de wet omdat de ene mens strafbaar wordt gesteld waar een ander in dezelfde
situatie vrijuit gaat. Zo hangt uiteindelijk het feit of iemand al dan niet een
bekeuring krijgt vaak meer af van het humeur van de politieagent dan van de
omstandigheden of van de wet zelf. In dit verband is het verhelderend om te
bedenken dat opsporingsambtenaren de opdracht hebben om de openbare orde te
handhaven en in principe niet verplicht zijn om bekeuringen uit te delen. Pas
sinds het ministerie met de politie prestatie contracten afsloot werden
verbalisanten afgerekend op het minimaal aantal bekeuringen wat ze maandelijks
moesten scoren.(13)
Verhelderend voor hoe verleidelijk het is om de boetequote
te halen met het uitdelen van ID-boetes, bleek uit een telefoongesprek met de
het hoofdbureau van politie waar navraag leerde dat ten onrechte uitgedeelde
bekeuringen niet van de boetescore worden afgetrokken.
Wanneer iemands identiteit al bekend is hoort,
volgens de richtlijnen voor toepassing van de wet, geen controle plaats te
vinden. Ook dat blijkt in de praktijk meer te gelden voor ministers dan voor
bekende daklozen.
Omdat in de wet niet is aangegeven waarvoor deze is bedoeld,
brengt de wet de balans tussen overheid en burger in gevaar. Het evenwicht
tussen rechten en plichten is zoek.
Het merendeel van de bevolking draagt niet altijd een
Identiteitsbewijs bij zich. Volgens de wet is dat ook niet verplicht. Velen
vinden het lastig of belachelijk dat je een ID-bewijs bij je zou moeten hebben
“als je niks verkeerd doet”. Toch moet je volgens de wet het geldige
persoonsbewijs na de eerste vordering onmiddellijk kunnen tonen en riskeer je
een boete of gevangenisstraf als je dat niet kunt of wilt. Tegenover die, op
zich al onduidelijke, plicht heeft de burger recht op privacy en op bescherming
daarvan door de overheid. In hoeverre de inperking van ieders privacy zich
verhoudt tot bescherming van de burgers zijn de meningen verdeeld. Maar anno
2009 kunnen we constateren dat er wetenschappelijk en maatschappelijk een
steeds breder draagvlak ontstaat voor het standpunt dat de balans tussen
privacyinperking en veiligheidsmaatregelen onverantwoord ver is doorgeslagen
naar de vrijheidsbeperking van de burger.
Uit honderden gesprekken, met mensen uit alle lagen van de
bevolking die de Meldpuntmensen hielden, concluderen we dat het overgrote deel
van de bevolking het niet eens is met de wet. Weliswaar zijn er mensen die in
eerste instantie zeggen vóór te zijn, maar als men er verder met ze op
doorpraat, met voorbeelden komt en consequenties aangeeft, is steevast de
reactie:”Oh, maar ik wist niet dat je er voor in de gevangenis kan komen”, “Dat
kinderen boetes krijgen als ze zonder ID buiten spelen vind ik niet
goed”,of “is het echt zo dat mensen vlak
voor hun huis boetes krijgen?”, “ik kan het niet geloven dat je voor het niet
tonen van een ID-bewijs officieel boete van € 2250,00 kan krijgen”, enz.
Er zijn felle tegenstanders van de wet, maar vooral veel
mensen die eigenlijk niet echt op de hoogte zijn en er nauwelijks over
nagedacht hebben. Dat brengt ons bij de woorden van Femke Halsema, die stelt
dat “De werkelijkheid van het recht altijd een cultuurgemeenschap veronderstelt
die een zekere samenhorigheid kent en die bereid is om zich aan een
gemeenschappelijke rechtsorde te onderwerpen.(14)En dat op het moment dat het recht
niet langer door grote groepen wordt erkend, de staat zijn legitimiteit begint
te verliezen.
