Geschiedenis van de identificatieplicht in Nederland
- Geschiedenis identificatieplicht van 1913 t/m 1951
- 40 jaar vrijwaring 1951 t/m 1991
- Opstart herinvoering 1991 t/m 2004
- Invoering Wet op de Uitgebreide
Identificatieplicht 1 januari 2005
- 3 jaar wet op de Uitgebreide
Identificatieplicht 2005 t/m 2007
Geschiedenis identificatieplicht van 1913 t/m 1951
1913: Als 17 jarige krijgt J.L. Lentz een
aanstelling bij het Haagse bevolkingsregister (zie 1926).
1914: Invoering paspoort.
De internationale crisis noopt de regering (en heel Europa) tot invoering van
dit document. Dit wordt gerechtvaardigd door te stellen dat het helpt om
internationale spionage beter te bestrijden. Voordien zou het bij niemand zijn
opgekomen dat er bij de grens iemand zou willen weten wie je bent, waar je naar
toe ging en waarom.
1925: Rooms Katholieke politiebond St.
Michael stuurt verzoekschrift aan Justitie voor een snelle invoering van een
verplichte identiteitskaart.
1926: Lenz is opgeklommen tot
hoofdfunctionaris bij de afdeling algemene zaken en bevolkingsregister van de
gemeente ‘s- Gravenhage.
1928: De regering stelt een commissie in
om het stelsel van bevolkingsboekhouding te verbeteren.
1933: Pre-advies voor Rijksinspectie van
Bevolkingsregisters.
1936: Rijksinspectie van
de Bevolkingsregisters wordt opgericht en toegevoegd aan het ministerie van
Binnenlandse Zaken. Lenz krijgt de leiding en de opdracht meer eenheid in de
bevolkingsregisters van de gemeenten te brengen.
Het Besluit Bevolkingsboekhouding komt tot stand. Hierin
werd bepaald, dat alle gemeenten vanaf 1 juli 1936 per inwoner een aparte
kaart, van voorgeschreven formaat en indeling, moesten aanleggen. Op de voorkant van die kaart werden de
gegevens van de betrokken inwoner vermeld, op de achterkant die van de
eventuele echtgenoot en kinderen. De kaart werd bewaard in het
bevolkingsregister van de gemeente waar de inwoner woonachtig was. Verhuisde
hij naar een andere gemeente, dan kreeg het bevolkingsregister van die andere
gemeente zijn kaart toegezonden. De eerste gemeente behield daar dan een
afschrift van. Persoonskaarten van overledenen, van diegenen die het land
blijvend verlaten hadden maar ook van allen die geen vaste woonplaats bezaten
(de meer dan 25.000 schippers met hun gezinsleden b.v.), werden bewaard in een
'centraal bevolkingsregister' dat toegevoegd was aan een nieuwe dienst die op
de uitvoering van het gehele systeem controle moest uitoefenen.
Maart 1939: Invoering van een
identiteitsbewijs wordt aanbevolen door een interdepartementale commissie.
Kabinet Colijn IV
houdt het advies in beraad (i.v.m. eventuele invoering van een simpelere
distributie-stamkaart zonder foto).

Inmiddels zijn op dat moment de bevolkingsregisters in heel
Nederland al op één lijn gebracht, waardoor ze gemechaniseerd kunnen worden omdat het dan mogelijk is om
van iedere individuele burger een ponskaart te maken.
Oktober 1939: Uitgifte van de distributiestamkaart.
Bij aankoop van goederen die onder de distributie vielen kreeg men een
stempeltje op de kaart en moest een bonnetje worden ingeleverd.
Maart 1940: Het advies voor
identificatieplicht wordt verworpen. Het kabinet de Geer oordeelt
dat met invoering van een identiteitsbewijs ‘eigenlijk elke burger als een
potentiële misdadiger beschouwd werd, hetgeen in strijd is met de Nederlandse
tradities.
14 juni 1940: De Duitse overheid, die ons land
heeft ingenomen, gelast dat er zo spoedig mogelijk een identiteitskaart moet
worden ingevoerd.
Juli 1940: J.L.Lenz start enthousiast met het ontwerpen van
een identiteitsbewijs waar hij al eerder voorstander van was. In augustus reist
hij naar Berlijn om het ontwerp te presenteren. Later bleek hij een
document te hebben ontwikkeld dat het beste Persoonsbewijs van Europa genoemd
kon worden. Dit bewijs verschafte de Duitse bezetter een krachtig
administratief middel voor zijn onderdrukkingspolitiek. L. de Jong
directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (het tegenwoordige NIOD), typeerde het
persoonsbewijs als "een onmisbaar hulpmiddel voor het vervolgingsbeleid
van de Duitse bezetter" (Koninkrijk, deel 5, pag. 434). Vooral bij de
jodenvervolging en bij de tewerkstelling in Duitsland bleek iedere keer weer de
onschatbare betekenis van het persoonsbewijs. Voor de SS
vormde het persoonsbewijs een bijna perfect administratief instrument ter
arrestatie van verzetsmensen. Het systeem van persoonsbewijzen heeft duizenden
mensen het leven gekost omdat het de opsporing en arrestatie aanzienlijk
vereenvoudigde.
Hannah Arend zou over het ontwikkelen van dergelijke
systemen, zonder na te denken over de maatschappelijke gevolgen, schrijven dat’
de banaliteit van het kwaad de kans krijgt als mensen weigeren na te
denken over de gevolgen van hun handelen’.
Hoe puur technologische mogelijkheden dergelijke systemen
mogelijk maken blijkt uit de rol die IBM speelde in de geschiedenis
van de Holocaust.
14 oktober 1940: Besluit van de Secretarissen
Generaal tot invoering van het persoonsbewijs. Vooralsnog
moet men zich kunnen legitimeren met een distributiestamkaart waar de gemeentes
een pasfoto aan moeten
hechten.
De bezetters eisten ook dat registratie niet meer
uitsluitend via de registers van de gemeenten zou gaan maar dat er één centraal
systeem zou worden ingevoerd.
De Rijksinspectie van de bevolkingsregisters diende zowel de
ontvangstbewijzen als de lijsten voor het datumregister van de volgnummers te
beheren.
10 januari 1941: vaardigt Rijkscommissaris Seyss-Inquart een
verordening uit waarin werd bepaald dat “degene die geheel of gedeeltelijk van
joodsche bloede zijn en hun verblijf hebben in het bezette Nederlandsche
gebied" zich moest aanmelden. Dit betekende dat iedereen met tenminste één
joodse voorouder zich moest vervoegen bij het gemeentehuis of in Amsterdam bij
de Joodsche Raad voor Amsterdam. Als men zich had aangemeld, werd een zogenaamd
‘Bewijs van Aanmelding’ verstrekt. Hiervoor moest men 1 gulden betalen waarvan
de helft
voor de kas van de gemeente was en de andere helft voor de Rijksinspectie van
de bevolkingsregisters.

In april 1941 wordt begonnen met de uitreiking
van het persoonsbewijs. Iedereen van 14 jaar en ouder moest zich te allen tijde
met dit onvervalsbare document kunnen legitimeren. Hiermee was een belangrijke
administratieve schakel in de onderdrukkingspolitiek van de Duitse bezetter
gereed. Het persoonsbewijs was van
een speciaal soort karton gemaakt, bevatte 3 watermerken, en een raster waar
speciale- onzichtbaar te maken inkt voor werd gebruikt. Er moest een pasfoto op
en twee vingerafdrukken van de rechter wijsvinger, waarvan één op een breekbaar
zegel dat achterop de pasfoto werd geplakt. Het persoonsbewijs kreeg een
nummer dat correspondeerde met de gemeente van uitgifte en een volgnummer
wat moest corresponderen met de datum van uitgifte.
Om een persoonsbewijs
te kunnen afhalen kreeg men een ontvangstbewijs toegestuurd wat bij afhalen
moest worden meegebracht. Op dit bewijs werden persoonsgegevens genoteerd: het
persoonsnummer, het volgnummer en de datum van uitgifte en handtekening. Het
werd voorzien van een afdruk van de rechter wijsvinger en er werd
eenzelfde pasfoto als op het persoonsbewijs zelf aan gehecht.
De
Rijksinspectie beschikte middels de ontvangstbewijzen over alle gegevens
zodat bij grondig onderzoek ieder vals persoonsbewijs te traceren was.

23 januari 1942: Vanaf deze datum krijgen de joden een
grote letter J op weerskanten van hun persoonsbewijs gestempeld. Joden die al
een persoonsbewijs hebben moeten zich opnieuw melden. Het algemene
bevolkingsregister wordt uitgekamd op zoek naar ‘joodsklinkende namen’ om te
controleren of er misschien toch nog joden niet apart geregistreerd staan.
Op 3 mei zouden ze verplicht worden
tot het dragen van de jodenster.
De strategie om in
fasen deze bevolkingsgroep eerst systematisch te identificeren en vervolgens te
isoleren en goed herkenbaar te maken is een uitgekookte manier om zich op
grondige wijze te ontdoen van deze door het regiem ongewenste personen zonder
noemenswaardige maatschappelijke protesten op te roepen.
27
maart 1943: Om
de vervalste persoonsbewijzen oncontroleerbaar te maken pleegde een
verzetsgroep de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam Ze schakelde de
bewaking uit, stortten alle registratiekaarten op de vloer en overgoten al dit
papierwerk met een brandbare stof. Nadat ze er vandoor gegaan waren, ontploften
een aantal tijdbommen en er ontstond brand. Maar 15% van de gegevens ging
verloren.
1943: Hoewel de persoonsbewijzen niet
perfect nagemaakt konden worden, kwamen er steeds meer valse persoonsbewijzen
in omloop en doken mensen onder. De Duitsers voerden toen de Tweede Distributiestamkaart
in en het controlezegel op het persoonsbewijs.
Eind 1943: moest iedere Nederlander zijn
persoonsbewijs laten controleren en er een controlezegel op laten plakken,
teneinde een distributie-stamkaart te krijgen. Persoonsbewijzen zonder zegel waren ongeldig en zonder
distributiestamkaart kon men geen bonnen krijgen die op hun beurt weer nodig
waren om elementaire levensbehoeften te mogen kopen.
11 april
1944: werd het
centrale bevolkingsregister in Den Haag
gebombardeerd, maar er werd daarbij maar een klein deel van de
kaarten vernietigd.
September 1944: besloot de regering in Londen om
de persoonsbewijzen na de bevrijding vooralsnog te handhaven. Iedereen die niet
in het bezit was van een geldig persoonsbewijs en iedereen die een 'J' in zijn
persoonsbewijs had staan zou een nieuw Voorlopig
persoonsbewijs moeten aanvragen.
Na de bevrijding wordt de uitgifte van
persoonsbewijzen gestaakt.
In september 1945 wordt een ‘Commissie voor het
persoonsbewijs‘ ingesteld omdat de politie en de rechtelijke macht herinvoering
van persoonsbewijzen willen.
Het advies luidt dat het volk daar op dat moment nog niet aan toe is, vanwege de vervalsings mentaliteit maar
dat de regering de behoefte aan een verplicht identiteitsbewijs kan
aanwakkeren,’door verstandige
voorlichting’.
In 1949 publiceert de Brit George Orwell
zijn roman 1984. In deze
beroemde anti-utopie van de westerse wereld anno 1984 schetst hij vanuit
de naoorlogse situatie, in de westerse wereld van dat moment, een toekomstbeeld
waarin de enkeling ten onder gaat in een volkomen kansloze strijd tegen een
totalitair bewind. Het is een waarschuwing tegen totalitaire regimes, zoals Nazi-Duitsland
en Stalins
Sovjet-Unie.
1
februari 1951 wordt de identificatieplicht pas officieel ingetrokken.
40 jaar vrijwaring 1951 t/m 1991
40 jaar lang is identificatieplicht en
persoonsregistratie voor de overheid in Nederland taboe. Nederlanders verbinden
dat onlosmakelijk aan de onderdrukking in de oorlog en de vernietiging van
miljoenen mensen. Men wil de herwonnen vrijheid niet prijs geven.
In 1957 buigt de overheid zich over het
gebruik van de computer met name welke instantie of ministerie een dergelijk apparaat
voor de hele Staat der Nederlanden zou moeten gaan beheren.
In
1971 start de
regering de eerste volkstelling, met de computer, om het volk in kaart te
brengen. Wie zich niet zou onderwerpen aan het verstrekken van alle mogelijke
privé gegevens door het correct invullen van vragenlijsten was strafbaar.
Hoewel in deze tijd de meeste burgers in principe het gezag gehoorzaamden werd
deze volkstelling zeer algemeen als overbodige en gevaarlijke bemoeizucht
gezien.
Er werd een ‘Comité Waakzaamheid Volkstelling’ opgericht, en 23.000 mensen
weigerden zich te laten registreren. Uiteindelijk leidde de grote protesten tot
het algeheel afblazen van de volktelling zonder dat weigeraars werden bestraft.
In de jaren zeventig komt het onderwerp
identificatieplicht nog een enkele keer op tafel, maar het stuit altijd op
grote weerstand.

In 1984 komt het onderwerp identificatieplicht
weer ter discussie. Niet op verzoek van politie of justitie ditmaal, maar
aangezwengeld door politici van VVD en CDA.
VVD minister Korthals Altes bijvoorbeeld
spreekt zich in 1984 "strikt persoonlijk" uit voor
identificatieplicht.
Dat ontketent weliswaar een storm van verontwaardiging
in het land zowel van individuele burgers als van organisaties als de stichting
waakzaamheid persoonsregistratie en de Anne Frankstichting maar men laat het
onderwerp niet meer los.
Op 14 juni 1985 werd het Schengen-akkoord gesloten
tussen België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland. De intentie was
een zone in te stellen zonder reisbeperkingen, waarbij de grenscontroles tussen
de deelnemende landen werden opgeheven. Het wegvallen van de grenscontroles
leverde niet alleen voordelen op voor vrij personen- en handelsverkeer maar
veroorzaakte ook een toename van grensoverschrijdende criminaliteit en instroom
van vluchtelingen. Hierdoor werd de roep om binnenlands mensen te kunnen
controleren op identiteit groter.
In 1986: Of de VVD of het CDA het in
het regeerakkoord afdwongen willen ze niet bekendmaken, maar het concept
regeerakkoord voor kabinet Lubbers II
kondigt een algemene identificatieplicht aan. Een storm van protest steekt op
en prompt krabbelt men in de regeringsverklaring terug, met de afzwakking dat
het niet om een algemene maar om een (niet nader omschreven) beperkte
identificatieplicht gaat. Men gaat echter onverdroten voort op de ingeslagen
weg.
In 1987: Wint het kabinet advies in bij
mr.G.J.Wiarda (oud-president van
de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens) of het
invoeren van de identificatieplicht ter ere van fraudebestrijding en verdenking
van strafbare feiten, wel verenigbaar is met nationale en internationale
bepalingen inzake burgerrechten. De uitslag luidt dat een algemene
identificatieplicht moeilijk verenigbaar is met het recht op privacy en
vrijheid van beweging. Deze inhoudelijke kritiek wordt omgebogen naar de
praktische toepassing dat als de term ‘algemene’ niet wordt gebruikt
identificatieplicht niet onrechtmatig zou zijn.
24 juni 1988: Neemt het kabinet met de notitie
’Identificatieplicht’ voor het eerst een officieel standpunt in over invoering
van de identificatieplicht( kamerstukken 20 612).
In 1988 wordt het sociaal-fiscale nummer
(SoFi) ingevoerd. Het is het persoonlijke administratienummer waaronder een
belastingplichtige geregistreerd staat bij de Belastingdienst. Dit dient tevens
als registratienummer voor de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de
uitvoering van de wettelijke voorschriften inzake de sociale zekerheid. (Stb.
1988, 655).
Het sofinummer bestaat
uit 9 cijfers en voldoet aan een variant van de zgn. elfproef: dwz.
als het sofinummer wordt voorgesteld door ABCDEFGHI, moet 9A + 8B + 7C + 6D +
5E + 4F + 3G + 2H – I een veelvoud van 11 zijn. Het is het nummer dat iedereen
die in Nederland belastingplichtig is of verzekerd is voor de
sociale verzekeringen, krijgt toegekend.
Lou de Graaf, de toenmalige staatssecretaris van Sociale
Zaken betoogt in het parlement dat het sofinummer echt, heus, alleen
gebruikt zal worden voor gegevens over belastingen, inkomens en uitkeringen.
28 december 1988: wordt de Wet Persoonsregistraties
ingevoerd, met regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in
verband met persoonsregistraties. De toenemende controle en registratie staat
niet op zichzelf, maar valt samen met een restrictiever vreemdelingenbeleid,
beperking van uitkeringen en privatisering van de sociale zekerheid. Het mag
dan de tijd zijn van de terugtredende overheid, diezelfde overheid eist steeds
meer zicht op het doen en laten van de burgers.
In 1989: Treedt een nieuwe
regeringscoalitie aan van CDA en PvdA.
De PvdA heeft tot nu toe altijd bezwaar gemaakt tegen welke vorm van
identificatieplicht dan ook, maar zwicht voor het CDA en sluit een compromis om
een beperkte identificatieplicht in te voeren. Dit gebeurde ondanks duidelijke
kritiek dat ID-plicht op grote inhoudelijke bezwaren stuit. Zo waarschuwde Prof
Bovenkerk in zijn inaugurele rede dat de ID-plicht tot discriminatie zal
leiden. En stelde het Wetenschappelijk Onderzoek -en Documentatiecentrum van
het ministerie van Justitie dat de voordelen van een ID-plicht makkelijk
overschat kunnen worden en dat het alleen geld oplevert als de bevolking zich
aan een draagplicht houdt.
Persoonsregistratie wordt in de praktijk opgerekt door het voorstel om het
sofinummer niet alleen voor belastingplichtigen te gebruiken maar om van kinderen
vanaf de geboorte een persoonsnummer bij de belasting te registreren.
In Europees verband wordt over het invoeren van nieuwe
paspoorten vergaderd, op nationaal niveau wordt een facultatieve ID-kaart
overwogen.
Van 1989 tot 1992 blijven CDA en
PvdA steggelen over de ID-plicht.
Opstart
herinvoering 1991 t/m 2004

Op 4 april 1991 presenteert minister Hirsch Ballin
(Justitie) het concept-wetsvoorstel
identificatieplicht.
De commissie Zeevalking brengt advies uit om geen
algemene identificatieplicht in te voeren. Wel bepleit men een toonplicht
waarbij mensen de gelegenheid moeten krijgen om een ID-bewijs op te halen als
men het niet direct, op verzoek, kan overleggen.
In 1992 is na het torentjesoverleg van kabinet
Lubbers III de beperkte ID-plicht ook voor de fractievoorzitter van de
PvdA bespreekbaar.
Dat jaar dient minister van Justitie Hirsch Ballin(CDA) een wetsvoorstel
daartoe in.
In 1993: wordt de Wet op de
Beperkte Identificatieplicht aangenomen.
1 juni 1994: treedt deze wet in werking. Zwartrijders en
voetbalvandalen moeten kunnen bewijzen wie ze zijn en werknemers zijn voortaan
strafbaar als ze niet controleren, en middels een kopie van identiteitsbewijzen
vastleggen, dat hun personeel legaal in het land verblijft. Hiermee kan men
vreemdelingen die niet over een verblijfsvergunning beschikken, ook als ze
keurig sociale lasten betalen, opsporen. Ook wil men via deze wet fraude met
sociale uitkeringen als kinderbijslag tegengegaan, en notoire wetsovertreding
door zwartrijders en voetbalvandalen aanpakken.
1996: Het sociaal
fiscaalnummer wordt opgenomen in paspoort, ID-kaart en rijbewijs.
Ouders die kinderbijslag ontvangen voor kinderen in het
buitenland worden plaatselijk opgeroepen zich te komen legitimeren door de
Sociale Verzekerings Bank om vast te stellen of zij wel in Nederland woonachtig
zijn. Om deze controle automatisch te kunnen uitvoeren worden dit jaar alle
SVB-kantoren aangesloten op de Gemeentelijke Basis Administraties.
1998:
Op 26 maart wordt de Koppelingswet
ingevoerd. Hiermee worden mensen zonder geldige verblijfspapieren verder
uitgesloten van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en
vergunningen.
Het CDA komt met een verkiezingsprogramma waarin een
algemene identificatieplicht wordt voorgesteld, maar dat wordt wegens de
verkiezingsnederlaag niet doorgezet.
1 juni 1994: treedt de wet beperkte
Identificatieplicht in werking. Zwartrijders en voetbalvandalen moeten
zich kunnen legitimeren, werknemers moeten kunnen aantonen dat ze niet illegaal
in ons land zijn en werkgevers zijn strafbaar als ze dat niet gecontroleerd
hebben. Er is geen sprake van draagplicht, maar van bewijsplicht.
1996: Het sociaal- fiscale nummer wordt
opgenomen in paspoort, ID-kaart en rijbewijs.
1998: Het CDA komt met een verkiezingsprogramma
waarin een algemene identificatieplicht wordt voorgesteld. Het CDA lijdt een
verkiezingsnederlaag.
1 september 2001: Wordt de Wet Persoonsregistraties,
onder toezicht van de Registratiekamer vervangen door de Wet Bescherming
Persoonsgegevens. Toezichthouder wordt het College Bescherming
Persoonsgegevens.

Illustratie Ka van Haasteren
11 september 2001: Na de terroristische aanslagen in
de VS wordt ‘terrorismebestrijding’ een toverformule om allerlei regelingen,
die al voorbereid waren, in versneld tempo in te voeren. Direct op prinsjesdag
riep Jaap de Hoop Scheffer, toenmalig fractievoorzitter van het CDA, opnieuw
dat er een identificatieplicht moest komen. Dit voorstel werd een paar dagen
later overgenomen door minister van Boxtel hoewel die eerst tegen een algemene
identificatieplicht was. Verklaring voor deze koerswijziging was dat Van Boxtel
in die kabinetsperiode verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van het nieuwe
paspoort en hij op deze manier zijn kans schoon zag om het biometrische
elektronische identiteitsbewijs te promoten. Het Kabinet Kok stelde voor de
identificatieplicht alleen uit te breiden in geval van terroristische
dreigingen.
Mei 2002: Na de moord op Pim Fortuyn wint
het CDA de verkiezingen en sluit een akkoord met VVD en LPF. De
identificatieplicht wordt meteen in het regeerakkoord opgenomen.
Juni 2002: Advies van ‘de Tafel van Thijn’.
Het voornemen tot invoeren van een Burger Service Nummer wordt geïntroduceerd.
‘De inrichting van een overheidsbreed
persoonsnummerbeheer is van belang om invulling te geven aan de wens naar
betere mogelijkheden voor gegevenskoppeling ten behoeve van de rechtshandhaving
en opsporing. Daarbij wordt gedacht aan een verruiming van de wettelijke
mogelijkheden binnen de geldende Europese privacy richtlijnen’.
(Aanbiedingsbrief bij Advies van de Tafel, Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 vi
nr. 21, p. 3-4).
17 oktober 2002: Minister van Binnenlandse Zaken Remkes
deelt aan de Tweede Kamer mee dat ‘uit het haalbaarheidsonderzoek naar de
invoering van een elektronische identiteitskaart is gebleken dat er te weinig
elektronische diensten beschikbaar zijn waarvoor elektronische identificatie
noodzakelijk is’. De ‘Voortgangsrapportage Elektronische Overheid besluit met
de mededeling dat er voor verdere ontwikkeling wordt gewacht totdat er
organisaties zijn die identiteitsrijke elektronische diensten gaan ontwikkelen.
November 2002: De regering reageert op de
adviezen van de Tafel van Thijn enthousiast met de mededeling dat dit ‘een
doorbraak betekent op gebied van de gegevenshuishouding van de overheid’. De
tijd lijkt rijp, want het kabinet wil middels het ‘Veiligheidsprogramma naar
een veilige samenleving’ een hele serie privacy beperkende maatregelen
invoeren.
Een week later kondigt minister Donner van Justitie (CDA), zonder duidelijke
motivatie, het wetsontwerp voor uitgebreide identificatieplicht aan. Het
voorstel wordt heftig bekritiseerd door het College Bescherming
Persoonsgegevens, De Nederlandse Vereniging voor Rechtshulp, de Orde van
Advocaten en de Nationale Jeugdraad. Het College Bescherming Persoonsgegevens
stelt dat Donner's wetsvoorstel in strijd is met Art 8 Van de Europese
Verklaring van de Rechten van de Mens (EVRM). Ook de minimum leeftijd van 14
jaar stuit op veel kritiek.
2 mei 2003: Middels een persbericht laat de
ministerraad weten dat het kabinet geen aparte identificatiekaart wil
invoeren. Aan identificatie zal enkel kunnen worden voldaan met ‘bestaande
erkende identificatiebewijzen’.
9 Juni 2003: Wordt het wetsvoorstel in de
Tweede Kamer behandeld.
D66, CU, PvdA en Groen Links vragen de minister hoe hij erbij komt dat de
ID-plicht criminaliteit zal bestrijden en rechtshandhaving bevorderen. De
minister moet toegeven dat hij geen empirisch materiaal heeft waarmee de
mogelijke werkzaamheid van de wet aannemelijk kan worden gemakt. Maar onder het
motto dat ID-plicht de rechtpositie van de politie
versterkt presenteert hij als onvermijdelijk feit dat bijgevolg van betere
wetshandhaving misdrijven zullen worden voorkomen. Als de SP de minister
bevraagt of het niet erg naïef is te veronderstellen dat er terrorisme mee kan
worden bestreden antwoord Donner dat het helemaal niet naïef is om ervan uit te
gaan dat identificatieplicht helpt bij terrorismebestrijding.
Memorie van Antwoord
Kamerstukken2003-2004,29 218Cp.5
Voorlopig verslag KamerstukkenII 2003-2004,29 218 nr 21 p 15+17)
Er wordt wat over de leeftijdgrens gebakkeleid, over dat de resultaten niet
meetbaar zullen zijn, maar zonder noemenswaardige opheft wordt het wetsvoorstel
door de Kamer geloodst.
De ID-plicht maakt onderdeel uit van een nieuwe categorie
maatregelen die het mogelijk maken om voorafgaand aan feitelijke delicten
strafrechtelijk in te grijpen.
Het draagvlak hiervoor had zonder de dreiging van
terrorisme, volgens N. Zeegers universitair docente politicologie aan de
Rijksuniversiteit Groningen, niet gecreëerd kunnen worden. Wetgeving spruit
voort uit angst, en de tijdgeest laat het toe dat er geen doorwrochte
oplossingen worden gezocht voor problemen maar dat de waan van de dag
aanleiding is voor beslissingen. De teneur dat er in ieder geval iets
geprobeerd wordt prevaleert boven doordachte bezwaren. De politiek
accepteert dat maatregelen niet persé een oplossing hoeven te bieden voor
problemen maar dat ze als doel op zichzelf functioneren. Schijnveiligheid is
ook een vorm van veiligheid.
December 2003: het wetsvoorstel voor de
uitgebreide ID-plichtwet wordt door de Tweede Kamer aanvaard. Met tegenstem van
de fracties SGP, Christen Unie, SP en Groen Links.
De grote fracties kunnen met de regeling in deze opzet leven.
De minister bezweert de Kamer dat er geen acties ten behoeve van de
ID-plicht op zich zullen komen. De ID plicht wordt gepresenteerd als deel
van een breed handhavingsbeleid, bijvoorbeeld in geval van een terroristische
dreiging (Nota verslag Kamerstukken II
2003-2004, 10, p16).
Medio 2004: Behandeling uitgebreide
identificatieplicht door de Eerste Kamer. Uiteindelijk stemt de Eerste Kamer
vóór omdat de minister volhoudt dat het om Vrijheid en Veiligheid en strijd
tegen het terrorisme gaat. Wie tegen durft te stemmen laat de verdenking op
zich dat hij de bevolking aan terrorisme blootstelt. Twijfelaars worden over de
streep getrokken met beloften dat de wet echt niet willekeurig zal worden
toegepast en dat als het niet blijkt te werken de wet na evaluatie zal worden
aangepast. De meeste PvdA senatoren gaan akkoord wegens de curieuze constructie
dat de wet geen draagplicht eist, al hoewel niet onmiddellijk tonen strafbaar
wordt gesteld.
De VVD gaat het allemaal niet ver genoeg. Die blijven
hameren op hun wens dat iedereen altijd een identificatiebewijs bij zich zou
moeten dragen.
De stemverdeling in de eerste Kamer is gelijk aan die
in de Tweede Kamer namelijk dat de grote partijen vóór stemmen en de kleine
partijen zowel ter linker als ter rechterzij tegen. Met bij de PvdA 3
tegenstemmers en 16 voor. Met 1 Christen Unie stem tegen en een voor.
3 november 2004: Minister de Graaf (D’66 is
inmiddels tot kabinet toegetreden) meldt aan de Tweede Kamer dat hij bij zijn
voornemen blijft om biometrische gegevens aan te brengen op de elektronische
identiteitskaart- de ENIK. (Op weg naar
elektronische overheid KamerstukkenII, 2004-2005,26387, nr. 24)
December 2004: De Europese Unie neemt, onder
Nederlands voorzitterschap, de beslissing om biometrie in het paspoort en de
ID-kaarten op te nemen.
Dit is vastgelegd in
de verordening "betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en
biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en
reisdocumenten" ((EG) nr. 2252/2004 van 29 december 2004).
Het Europese Parlement spreekt zich uit tegen de centrale
opslag van biometrische gegevens, omdat dit te grote gevaren met zich mee zou
brengen. Dit standpunt wordt echter door de verantwoordelijke EU ministers
genegeerd. Weinigen onderkennen op dat moment dat de hele identificatieplicht
uiteindelijk alleen een middel zal blijken om af te dwingen dat iedere burger
vanaf 14 jaar zich een geldig identiteitsbewijs moet aanschaffen. Dat maakt het
mogelijk om binnen enkele jaren te realiseren dat iedereen een op afstand
uitleesbaar identiteitsbewijs heeft. Een identiteitsbewijs voorzien van
biometrische kenmerken en een Burger Service Nummer wat alle gegevens van die
persoon elektronisch ontsluitbaar maakt - zonder dat hij daar zelf weet van
heeft.
De mogelijkheden voor toepassing zijn legio, de mogelijkheden tot misbruik
eveneens; er valt veel geld aan te verdienen.
Invoering
Wet op de uitgebreide Identificatieplicht 1 januari 2005

Op 1 januari 2005: wordt, 54 jaar na de
identificatieplicht door de Duitse bezetter, de Wet op de Uitgebreide
Identificatieplicht door onze eigen regering opnieuw ingevoerd. En weer door de
welwillende medewerking van mensen die weigeren na te denken over de
maatschappelijke consequenties.
Dat maakt de cirkel bijna rond want als iedereen een biometrisch gechipt
ID-bewijs heeft, kinderen vanaf de geboorte een elektronisch dossier krijgen en
het alomvattende Burger Service Nummer wordt ingevoerd, heeft Nederland weer
het beste persoonsregistratiesysteem van Europa.
De situatie doet sterk denken aan het begin van de vorige
eeuw. Geert Mak beschrijft in zijn boek ‘In Europa’ hoe aan het
begin van de 20ste eeuw de grote mogendheden in luttele jaren tijd op onnozele
wijze bijna ongemerkt het tijdperk van de grote wereldoorlogen in tuimelden.
Als je het woord oorlog weglaat kun je de beschrijving ongewijzigd
toepassen op situatie aan het begin van deze nieuwe eeuw waarin de, zich
democratisch wanende, staten van de zogenaamd vrije westerse wereld, nagenoeg
ongemerkt, als totalitaire staten de 21ste eeuw in rollen.
We citeren: “Het ging om de machtsbalans en de dynamiek van de militaire
planning. De geest die, eenmaal uit de fles, nauwelijks meer was te temmen.
Er begon bij alle mogendheden een mechanisme te draaien wat niet meer gestopt
kon worden.
Het systeem van plannen en draaiboeken, die al eerder waren ontwikkeld zouden
uiteindelijk fungeren als gigantische aanjagers, als voorspellingen die
zichzelf tot werkelijkheid brachten. De plannen waren een nieuw fenomeen. Ze
waren gedetailleerd als spoorboekjes. De uitvoeringstrajecten nauwkeurig
berekend. Deze starre planning had catastrofale gevolgen op politiek terrein.
Zodra de ene mogendheid begon kon de ander niet achterblijven.
Alleen regeringsleiders konden deze luid tikkende tijdklok nog stopzetten. Ze
zagen te laat wat er gebeurde, faalden en raakten in paniek” (blz. 113,114).
Als het te laat is wordt men overvallen door de snelheid van de gebeurtenissen
en in dat stadium komt een beschouwing over het risico dat het tot totaliseren
kan komen, te laat.
”De afspraken tussen mogendheden zijn helemaal niet zo dwingend als later wel
is gesuggereerd. Diplomaten hebben flink wat manoeuvreerruimte”(117).
”Binnen een paar dagen zijn alle schakelaars omgezet. Alles is in gereedheid
gebracht”(119).
3 jaar Wet op de
Uitgebreide Identificatieplicht (WUID) 2005 t/m 2007

Uitzending
10
december 2007
Drie jaar lang krijgen dagelijks zo’n
honderd mensen in het land een bekeuring of worden opgebracht naar het
politiebureau wegens het niet onmiddellijk tonen van een ID-bewijs wat ze niet bij zich
hoeven te hebben.
Op 10 december stopt de politie met
het uitdelen van ID-boetes. Aanleiding is een CAO conflict, maar het oordeel
van de politiebonden is helder:‘door te stoppen met het uitdelen van dit soort
boetes wordt het er hierdoor
eerder veiliger dan onveiliger op .Doordat er minder bonnen geschreven
worden bij kleine overtredingen, is er juist extra aandacht voor essentiële
zaken die een serieuze bedreiging vormen. De ID-plicht bonnen schrijverij schaadt
het eigenlijke politiewerk.
1 januari 2008
De ID-plichtwet is nu drie jaar van kracht.
Na drie jaar zou de omstreden wet door het parlement geëvalueerd
worden, zo was bij de invoering bepaald, maar de minister van Justitie heeft
lak aan die afspraken en traineert
de evaluatie.
De stichting Meldpunt Misbruik ID-plicht concludeert op
grond van praktijk ervaringen dat de Uitgebreide ID-plicht geen positieve
bijdrage heeft geleverd aan de samenleving.
Er is geen enkele criminele daad door opgelost of voorkomen,
en al helemaal geen terreur daad. Daarentegen heeft de wet heeft wel veel
negatieve gevolgen gehad.
·
Hij
heeft er voor gezorgd dat duizenden mensen oneigenlijk beboet en/of
gearresteerd werden.
·
Het
vertrouwen van de burger in de regering is erdoor geschaad.
·
Het
vertrouwen in een adequaat rechtsysteem is erdoor afgenomen en
·
Het
heeft ervoor gezorgd dat de politie ernstig aan gezag heeft ingeboet.
De praktijk leerde dat de wet willekeurig en tegen de eigen
voorschriften in is toegepast.
Nadat de CAO onderhandelingen met de politiebonden zijn
afgerond gaat men weer ongestoord door met het uitschrijven van bonnen.
14 februari 2008 Krijgt onderzoeksbureau Significant
opdracht van de minister om een onderzoek in te gaan stellen naar de
effectiviteit dan de WU-ID Eind van het jaar zijn er nog geen
onderzoeksresultaten beschikbaar.
1 januari 2009 De uitgebreide ID-plicht is nu 4
jaar in werking zonder op zijn merites te zijn beoordeeld maar de uitbreidingsplannen
zijn in volle gang gezet.
Voor deze WA-ID uitbreidingsplannen lees verder…