ID-NEE

meldpunt misbruik identificatieplicht

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte

geschiedenis van de identificatieplicht

Afdrukken PDF
Inhoudsopgave
geschiedenis van de identificatieplicht
1951 t/m 1991
1991 t/m 2004
2005 t/m 2007
2008
2009
2010
Alle pagina's

Geschiedenis van de identificatieplicht in Nederland

Geschiedenis identificatieplicht van 1913 t/m 1951

1913: Als 17 jarige krijgt J.L. Lentz een aanstelling bij het Haagse bevolkingsregister (zie 1926).

1914: Invoering paspoort. De internationale crisis noopt de regering (en heel Europa) tot invoering van dit document. Dit wordt gerechtvaardigd door te stellen dat het helpt om internationale spionage beter te bestrijden. Voordien zou het bij niemand zijn opgekomen dat er bij de grens iemand zou willen weten wie je bent, waar je naar toe ging en waarom.

1925: Rooms Katholieke politiebond St. Michael stuurt verzoekschrift aan Justitie voor een snelle invoering van een verplichte identiteitskaart.

1926: Lenz is opgeklommen tot hoofdfunctionaris bij de afdeling algemene zaken en bevolkingsregister van de gemeente ‘s- Gravenhage.

1928: De regering stelt een commissie in om het stelsel van bevolkingsboekhouding te verbeteren.

1933: Pre-advies voor Rijksinspectie van Bevolkingsregisters.

1936: Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters wordt opgericht en toegevoegd aan het ministerie van Binnenlandse Zaken. Lenz krijgt de leiding en de opdracht meer eenheid in de bevolkingsregisters van de gemeenten te brengen.

Het Besluit Bevolkingsboekhouding komt tot stand. Hierin werd bepaald, dat alle gemeenten vanaf 1 juli 1936 per inwoner een aparte kaart, van voorgeschreven formaat en indeling, moesten aanleggen. Op de voorkant van die kaart werden de gegevens van de betrokken inwoner vermeld, op de achterkant die van de eventuele echtgenoot en kinderen. De kaart werd bewaard in het bevolkingsregister van de gemeente waar de inwoner woonachtig was. Verhuisde hij naar een andere gemeente, dan kreeg het bevolkingsregister van die andere gemeente zijn kaart toegezonden. De eerste gemeente behield daar dan een afschrift van. Persoonskaarten van overledenen, van diegenen die het land blijvend verlaten hadden maar ook van allen die geen vaste woonplaats bezaten (de meer dan 25.000 schippers met hun gezinsleden b.v.), werden bewaard in een 'centraal bevolkingsregister' dat toegevoegd was aan een nieuwe dienst die op de uitvoering van het gehele systeem controle moest uitoefenen.

Maart 1939: Invoering van een identiteitsbewijs wordt aanbevolen door een interdepartementale commissie. Kabinet Colijn IV houdt het advies in beraad (i.v.m. eventuele invoering van een simpelere distributie-stamkaart zonder foto).

Inmiddels zijn op dat moment de bevolkingsregisters in heel Nederland al op één lijn gebracht, waardoor ze gemechaniseerd  kunnen worden omdat het dan mogelijk is om van iedere individuele burger een ponskaart te maken.

Oktober 1939: Uitgifte van de distributiestamkaart. Bij aankoop van goederen die onder de distributie vielen kreeg men een stempeltje op de kaart en moest een bonnetje worden ingeleverd.

Maart 1940: Het advies voor identificatieplicht wordt verworpen. Het kabinet de Geer oordeelt dat met invoering van een identiteitsbewijs ‘eigenlijk elke burger als een potentiële misdadiger beschouwd werd, hetgeen in strijd is met de Nederlandse tradities.

14 juni 1940: De Duitse overheid, die ons land heeft ingenomen, gelast dat er zo spoedig mogelijk een identiteitskaart moet worden ingevoerd.

Juli 1940: J.L.Lenz start enthousiast met het ontwerpen van een identiteitsbewijs waar hij al eerder voorstander van was. In augustus reist hij naar Berlijn om het ontwerp te presenteren. Later bleek hij een document te hebben ontwikkeld dat het beste Persoonsbewijs van Europa genoemd kon worden. Dit bewijs verschafte de Duitse bezetter een krachtig administratief middel voor zijn onderdrukkingspolitiek. L. de Jong directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (het tegenwoordige NIOD), typeerde het persoonsbewijs als "een onmisbaar hulpmiddel voor het vervolgingsbeleid van de Duitse bezetter" (Koninkrijk, deel 5, pag. 434). Vooral bij de jodenvervolging en bij de tewerkstelling in Duitsland bleek iedere keer weer de onschatbare betekenis van het persoonsbewijs. Voor de SS vormde het persoonsbewijs een bijna perfect administratief instrument ter arrestatie van verzetsmensen. Het systeem van persoonsbewijzen heeft duizenden mensen het leven gekost omdat het de opsporing en arrestatie aanzienlijk vereenvoudigde.

Hannah Arend zou over het ontwikkelen van dergelijke systemen, zonder na te denken over de maatschappelijke gevolgen, schrijven dat' de banaliteit van het kwaad de kans krijgt als mensen weigeren na te denken over de gevolgen van hun handelen'. Hoe puur technologische mogelijkheden dergelijke systemen mogelijk maken blijkt uit de rol die IBM speelde in de geschiedenis van de Holocaust.

14 oktober 1940: Besluit van de Secretarissen Generaal tot invoering van het persoonsbewijs. Vooralsnog moet men zich kunnen legitimeren met een distributiestamkaart waar de gemeentes een pasfoto aan moeten hechten. De bezetters eisten ook dat registratie niet meer uitsluitend via de registers van de gemeenten zou gaan maar dat er één centraal systeem zou worden ingevoerd. De Rijksinspectie van de bevolkingsregisters diende zowel de ontvangstbewijzen als de lijsten voor het datumregister van de volgnummers te beheren.

10 januari 1941: vaardigt Rijkscommissaris Seyss-Inquart een verordening uit waarin werd bepaald dat "degene die geheel of gedeeltelijk van joodsche bloede zijn en hun verblijf hebben in het bezette Nederlandsche gebied" zich moest aanmelden. Dit betekende dat iedereen met tenminste één joodse voorouder zich moest vervoegen bij het gemeentehuis of in Amsterdam bij de Joodsche Raad voor Amsterdam. Als men zich had aangemeld, werd een zogenaamd ‘Bewijs van Aanmelding' verstrekt. Hiervoor moest men 1 gulden betalen waarvan de helft  voor de kas van de gemeente was en de andere helft voor de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters.

In april 1941 wordt begonnen met de uitreiking van het persoonsbewijs. Iedereen van 14 jaar en ouder moest zich te allen tijde met dit onvervalsbare document kunnen legitimeren. Hiermee was een belangrijke administratieve schakel in de onderdrukkingspolitiek van de Duitse bezetter gereed. Het persoonsbewijs was van een speciaal soort karton gemaakt, bevatte 3 watermerken, en een raster waar speciale- onzichtbaar te maken inkt voor werd gebruikt. Er moest een pasfoto op en twee vingerafdrukken van de rechter wijsvinger, waarvan één op een breekbaar zegel dat achterop de pasfoto werd geplakt. Het persoonsbewijs kreeg een nummer dat correspondeerde met de gemeente van uitgifte en een volgnummer wat moest corresponderen met de datum van uitgifte.

Om een persoonsbewijs te kunnen afhalen kreeg men een ontvangstbewijs toegestuurd wat bij afhalen moest worden meegebracht. Op dit bewijs werden persoonsgegevens genoteerd: het persoonsnummer, het volgnummer en de datum van uitgifte en handtekening. Het werd voorzien van een afdruk van de rechter wijsvinger en er werd eenzelfde pasfoto als op het persoonsbewijs zelf aan gehecht.

De Rijksinspectie beschikte middels de ontvangstbewijzen over alle gegevens zodat bij grondig onderzoek ieder vals persoonsbewijs te traceren was.

23 januari 1942: Vanaf deze datum krijgen de joden een grote letter J op weerskanten van hun persoonsbewijs gestempeld. Joden die al een persoonsbewijs hebben moeten zich opnieuw melden. Het algemene bevolkingsregister wordt uitgekamd op zoek naar ‘joodsklinkende namen' om te controleren of er misschien toch nog joden niet apart geregistreerd staan.

Op 3 mei zouden ze verplicht worden tot het dragen van de jodenster.

De strategie om in fasen deze bevolkingsgroep eerst systematisch te identificeren en vervolgens te isoleren en goed herkenbaar te maken is een uitgekookte manier om zich op grondige wijze te ontdoen van deze door het regiem ongewenste personen zonder noemenswaardige maatschappelijke protesten op te roepen.

27 maart 1943: Om de vervalste persoonsbewijzen oncontroleerbaar te maken pleegde een verzetsgroep de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam Ze schakelde de bewaking uit, stortten alle registratiekaarten op de vloer en overgoten al dit papierwerk met een brandbare stof. Nadat ze er vandoor gegaan waren, ontploften een aantal tijdbommen en er ontstond brand. Maar 15% van de gegevens ging verloren.

1943: Hoewel de persoonsbewijzen niet perfect nagemaakt konden worden, kwamen er steeds meer valse persoonsbewijzen in omloop en doken mensen onder. De Duitsers voerden toen de Tweede Distributiestamkaart in en het controlezegel op het persoonsbewijs.

Eind 1943: moest iedere Nederlander zijn persoonsbewijs laten controleren en er een controlezegel op laten plakken, teneinde een distributie-stamkaart te krijgen. Persoonsbewijzen zonder zegel waren ongeldig en zonder distributiestamkaart kon men geen bonnen krijgen die op hun beurt weer nodig waren om elementaire levensbehoeften te mogen kopen.

11 april 1944: werd het centrale  bevolkingsregister in Den Haag gebombardeerd, maar er werd daarbij maar een klein deel van de kaarten vernietigd.

September 1944: besloot de regering in Londen om de persoonsbewijzen na de bevrijding vooralsnog te handhaven. Iedereen die niet in het bezit was van een geldig persoonsbewijs en iedereen die een 'J' in zijn persoonsbewijs had staan zou een nieuw Voorlopig persoonsbewijs moeten aanvragen.

Na de bevrijding wordt de uitgifte van persoonsbewijzen gestaakt.

In september 1945 wordt een ‘Commissie voor het persoonsbewijs‘ ingesteld omdat de politie en de rechtelijke macht herinvoering van persoonsbewijzen willen.

Het advies luidt dat het volk daar op dat moment nog niet aan toe is, vanwege de vervalsings mentaliteit maar dat de regering de behoefte aan een verplicht identiteitsbewijs kan aanwakkeren,'door verstandige voorlichting'.

In 1949 publiceert de Brit George Orwell zijn roman 1984. In deze beroemde anti-utopie van de westerse wereld anno 1984 schetst hij vanuit de naoorlogse situatie, in de westerse wereld van dat moment, een toekomstbeeld waarin de enkeling ten onder gaat in een volkomen kansloze strijd tegen een totalitair bewind. Het is een waarschuwing tegen totalitaire regimes, zoals Nazi-Duitsland en Stalins Sovjet-Unie.

1 februari 1951 wordt de identificatieplicht pas officieel ingetrokken.



 

Steun het meldpunt!

steun het meldpunt
slim meten is slinks weten